Vredesvoorstel 2017 De wereldwijde solidariteit van de jeugd – het inluiden van een nieuw tijdperk van hoop

Door Daisaku Ikeda

President Soka Gakkai Internationaal

26 januari 2017

Er zijn zestig jaren voorbij gegaan sinds mijn leermeester, de tweede president van de Soka Gakkai Josei Toda (1900-1958), zijn verklaring aflegde waarin hij opriep tot het verbod en afschaffen van kernwapens.

Toda streed samen met de oprichter en eerste president Tsunesaburo Makiguchi (1871-1944) voor de zaak van vrede en menselijkheid. Centraal in zijn denken stond een visie van wereldburgerschap, geworteld in de filosofie van respect voor de inherente waardigheid van het leven, wat in het boeddhisme wordt onderwezen.

Dit is de overtuiging dat niemand, waar hij ook is geboren of tot welke groep hij ook behoort, het slachtoffer mag worden van discriminatie, uitbuiting en zijn belangen mogen nooit worden opgeofferd ten gunste van anderen. Dit is een denkwijze die sterk overeenkomt met de oproep van de Verenigde Naties aan de internationale gemeenschap om een wereld te creëren waarin “niemand aan zijn lot wordt overgelaten”.[i]

Hetzelfde sterke gevoel dwong Toda ertoe kernwapens af te wijzen als een absoluut kwaad, een fundamentele bedreiging van het recht op leven van de wereldbevolking, en om op te roepen tot een breed gedragen beweging van het volk voor het afschaffen ervan. Op 8 september 1957 sprak hij, onder een helderblauwe hemel die je altijd ziet na het voorbijtrekken van een tyfoon, zo’n 50.000 jongeren toe die in het Mitsuzawa Stadion in Yokohama waren bijeengekomen. Hij zei: “Ik hoop dat jullie, als mijn leerlingen, de verklaring die ik vandaag ga uitspreken van mij zullen overnemen en dat jullie de intentie daarvan zo goed als jullie kunnen over de hele wereld zullen verspreiden.”[ii] Zelfs tot op de dag van vandaag hoor ik zijn stem binnenin mij weerklinken.

Vanaf dat moment hebben leden van de Soka Gakkai in Japan en over de hele wereld met gelijkgestemde mensen en organisaties samengewerkt aan het ontwikkelen van activiteiten gericht op het verbieden en afschaffen van kernwapens.

Verleden jaar december heeft de Algemene Vergadering van de VN, tegen de achtergrond van een groeiende erkenning binnen de internationale gemeenschap van de onmenselijke aard van kernwapens, een historische resolutie aangenomen met de oproep tot het starten van onderhandelingen voor een verdrag over het afschaffen ervan. De eerste conferentie voor onderhandelingen staat op de agenda voor maart, op het Hoofdkwartier van de VN in New York, en het is van het grootste belang dat dit met succes de weg zal openen naar een wereld zonder kernwapens.

Naast kernwapens wordt onze hedendaagse wereld geconfronteerd met talloze ernstige problemen, waaronder een schijnbaar oneindige opeenvolging van gewapende conflicten en het lijden van de snel groeiende vluchtelingenpopulatie. Ik ben echter niet pessimistisch als het gaat om de toekomst van de mensheid. De reden hiervoor is het geloof dat ik heb in de jonge mensen van onze wereld, die ieder op zich hoop belichamen en de mogelijkheid voor een betere toekomst.

Daarbij valt niet te ontkennen dat miljoenen jonge mensen leven onder zware en moeilijke omstandigheden als armoede en ongelijkheid, wat blijkt uit het feit dat kinderen en jongeren bovenaan de lijst staan van groeperingen die speciale aandacht vereisen volgens de Sustainable Development Goals (SDG’s) die de VN verleden jaar heeft gelanceerd.

Maar we moeten ook denken aan de kwaliteiten van de jeugd, die bijvoorbeeld in de Resolutie 2250 van de Veiligheidsraad van de VN zijn belicht en waarin de noodzakelijke rol van de jeugd in het creëren van vrede wordt benadrukt.

In ‘Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development’, de resolutie van de Algemene Vergadering waarin de SDG’s worden uiteengezet, worden jonge mensen gezien als “personen van cruciaal belang die veranderingen teweeg kunnen brengen”[iii], een overtuiging die ik van harte deel. Jonge mensen en hun energieke betrokkenheid vormen de oplossing voor de mondiale problemen waar we nu voor staan; zij hebben de sleutel tot het bereiken van de doelen die tot aan het jaar 2030 door de VN zijn gesteld.

In dit voorstel wil ik me graag speciaal richten op de rol van jongeren en mijn gedachten uitdrukken over hoe we de vreedzame en rechtvaardige samenleving op kunnen bouwen waarin niemand buitengesloten wordt, zoals de SDG’s die voor ogen heeft.

Het opbouwen van solidariteit – de rol van jonge mensen

De eerste moeilijke taak die ik zou willen bespreken is die van het creëren van solidariteit voor een respectvol en vreedzaam naast elkaar bestaan op deze ene planeet die we met elkaar delen. Hierin staat de rol van jonge mensen centraal.

Het Verdrag van Parijs, een nieuw internationaal raamwerk voor het bestrijden van klimaatverandering, is verleden jaar in november in werking getreden. Het is in december 2015 aangenomen en in april 2016 door afgevaardigden van 175 landen en gebieden ondertekend. Dat het verdrag al in minder dan een jaar nadat het is aangenomen in werking is getreden, is ongekend.

In dit verdrag verenigden de landen van de wereld zich om een gemeenschappelijke bedreigende situatie aan te pakken op een manier die tot dan toe onmogelijk had geleken. Deze heroriëntatie was het resultaat van een gedeeld besef dat klimaatverandering voor alle landen een urgent probleem vormt, een erkenning die is aangewakkerd door extreme weersomstandigheden, stijgende zeeniveaus en andere tastbare verschijnselen.

Als we vooruitgang willen boeken in het verlichten van armoede en in het bereiken van alle 17 doelen en 169 subdoelen die in de SDG’s staan, zullen we op alle gebieden met elkaar een zelfde bewustzijn en solidariteit moeten hebben.

Het brede scala aan belangen die de SDG’s omvatten heeft ertoe geleid dat er mensen zijn die zich afvragen of ze wel echt haalbaar zijn. Maar het is belangrijk te bedenken dat het grote aantal doelstellingen aangeeft hoe groot het aantal mensen is dat geconfronteerd wordt met ernstige, problematische toestanden, waarvan we er geen enkele over het hoofd mogen zien. Naast de directe impact van conflicten en natuurrampen worden de slachtoffers vaak gekweld door het gevoel dat ze vergeten en ontkend worden.

Terwijl de urgente aard van de vluchtelingencrisis maar al te duidelijk is en een centraal thema was op de World Humanitarian Summit in mei verleden jaar en op de United Nations Summit for Refugees and Migrants in september, komt een effectieve internationale samenwerking nog steeds erg langzaam op gang.

De nieuwe secretaris-generaal van de VN António Guterres zei vlak na zijn benoeming in een interview verleden jaar oktober:

Ik zal alles doen wat ik kan (…) opdat de bescherming van vluchtelingen gezien wordt als een mondiale verantwoordelijkheid, en dat is het ook. En het gaat niet alleen om het vluchtelingenverdrag. Het zit diepgeworteld in alle culturen en religies, overal in de wereld. Je ziet in de islam, in het christendom, in Afrika, in verschillende religies, in het boeddhisme en het hindoeïsme een sterke betrokkenheid bij de bescherming van vluchtelingen.[iv]

Zeker, de inspanningen voor de aanpak van de vluchtelingencrisis moeten worden vergroot en de spirituele bronnen die dit kunnen ondersteunen zijn te vinden in levende tradities over de hele wereld. De sleutel tot het omgaan met zelfs de schijnbaar allerlastigste problemen ligt in het samenkomen van mensen die al het mogelijke blijven doen om anderen te helpen.

Voor het boeddhisme begint dit bij inspanningen zij aan zij met mensen die lijden om ze in staat te stellen dat lijden te overwinnen. De uitgebreide hoeveelheid leerstellingen van Shakyamuni – waarnaar soms wordt verwezen als de tachtigduizend leerstellingen – werden voor het grootste gedeelte uiteengezet in een poging de problemen en het lijden van specifieke individuen aan te pakken. Shakyamuni weigerde om het aantal toehoorders bij het uiteenzetten van zijn leerstellingen te beperken en streefde er in plaats daarvan naar een “vriend voor allen, een kameraad voor allen”[v] te zijn. Zo leerde hij de Dharma aan iedereen die hij tegenkwam.

In zijn beschrijving van Shakyamuni zegt de Duitse filosoof Karl Jaspers (1883-1969): “De Boeddha verscheen niet als een leraar met kennis, maar als de boodschapper van het pad naar verlossing.”[vi]

Jaspers merkt op dat de woorden “een pad naar verlossing” zijn ontleend aan een oude Indiase medische term. En wat aan alle leerstellingen van de Boeddha ten grondslag ligt is aanmoediging, wat de functie heeft van een medicijn dat voor de specifieke aard van allerlei klachten wordt voorgeschreven. Shakyamuni riep zijn leerlingen en kameraden zo op: “Gaat nu, o bhikkhu’s, en wandel, ten behoeve van de velen, voor het welzijn van de velen.”[vii] En zo werden Shakyamuni en zijn leerlingen, die bleven doorgaan met reizen naar elke plaats waar mensen in nood waren zonder onderscheid te maken tussen verschillen in ras of klasse, “de mensen van de vier richtingen”[viii] genoemd.

Shakyamuni was zelf diep overtuigd van de waardigheid en kostbaarheid van het leven. Hij was ervan overtuigd dat deze waardigheid in het leven van alle mensen aanwezig is en dat het altijd mogelijk is de inherente kwaliteiten van het leven naar buiten te brengen, zelfs onder de moeilijkste omstandigheden.

In de maatschappij van die tijd heersten er twee denkwijzen. De eerste betrof een soort fatalisme, namelijk dat ons heden en onze toekomst volledig worden bepaald door karma dat in het verleden is opgebouwd. De tweede ging ervan uit dat alle dingen een kwestie van toeval zijn en dat niets in ons leven het gevolg is van een bepaalde oorzaak of toestand.

De fatalistische visie leidde tot de berusting dat we met geen enkele inspanning ons lot kunnen veranderen en dat de enige keus die we hebben het accepteren van ons lot is. Dit zorgde ervoor dat mensen de hoop verloren. De andere visie nam, door het loskoppelen van elke actie en het gevolg daarvan, bij mensen het gevoel weg dat ze zelf de controle hadden, wat veroorzaakte dat ze onverschillig werden voor het leed dat ze anderen aandeden.

Shakyamuni probeerde mensen te bevrijden van de beperkingen en de schadelijke invloed van deze twee visies, toen hij onderwees:

Oordeel niet op grond van afkomst, maar op grond van het leven.

Zoals alle houtsplinters een vuur voeden,

Kan een lage afkomst een wijze voortbrengen,

Edel en onwankelbaar en betrouwbaar.[ix]

 

Alles in ons leven kan ten goede worden veranderd door onze actie op dit moment, omdat niets onwrikbaar vaststaat. Hiermee leert het boeddhisme dat een verandering in ons diepe besluit op dit moment de realiteit van ons leven kan veranderen (Jpn in, oorzaak) en dat leidt weer tot een gevolg in de toekomst (Jpn ka, gevolg). Tegelijkertijd benadrukt dit het cruciale belang van geconditioneerde samenhang (Jpn en, relatie) die een sterke interactie tussen oorzaak en gevolg vormt. Met andere woorden, afhankelijk van de context van de relaties die gevormd worden, kan dezelfde oorzaak leiden tot een zeer uiteenlopend gevolg.

Vanuit deze visie moedigt het boeddhisme een manier van leven aan waarin we, met een sterk vertrouwen in de waardigheid en de mogelijkheden van het leven, banden aangaan van onderlinge aanmoediging en kameraadschap met anderen die op het punt staan de hoop te verliezen.

In het traditionele Mahayana-boeddhisme wordt de term bodhisattva gebruikt om iemand te beschrijven die is toegewijd aan het creëren van geluk voor zichzelf en anderen, wat in de ‘Vimalakirti Soetra’ op een zinnebeeldige manier wordt beschreven met de volgende woorden:

 

Tijdens de korte eonen van ziektes
Worden zij het beste heilige medicijn;
Ze maken wezens gezond en gelukkig
En zorgen voor hun bevrijding.

Tijdens de korte eonen van hongersnood
Worden ze eten en drinken.
Nadat ze eerst de dorst en honger hebben gestild
Leren ze de Dharma aan levende wezens.

Tijdens de korte eonen van zwaarden
Mediteren zij over liefde
En introduceren geweldloosheid bij
honderden miljoenen levende wezens.[x]

Dit betekent mensen aan te moedigen wanneer ze worden geconfronteerd met het onvermijdelijke lijden van het leven, wat het boeddhisme de vier vormen van lijden door geboorte, ouderdom, ziekte en dood noemt. En zoals aangegeven wordt met de volgende woorden uit de ‘Vimalakirti Soetra’: “Aangezien levende wezens ziek zijn, ben ik ook ziek.”[xi] Een bodhisattva zijn betekent dat je wordt gemotiveerd door empathie handelt en reageert op ernstige sociale crises, waar je ook bent, of je er direct invloed van ondervindt of niet.

In dezelfde soetra worden de gevolgen van deze actie vol compassie beschreven als een “lamp die niet kan uitdoven”[xii]: het licht van hoop dat we ontbranden zal niet alleen het leven van het individu met wie we interactie hebben verlichten, maar zal het leven van anderen in onze directe omgeving en de maatschappij in haar geheel blijvend helder verlichten.

Deze bodhisattva-instelling is de basis waarop de inspanningen van de SGI berusten als een op geloof gebaseerde organisatie die de VN ondersteunt en zich inzet voor het oplossen van mondiale problemen. Door de jaren heen hebben we deelgenomen aan activiteiten als hulp aan vluchtelingen en de wederopbouw in de nasleep van natuurrampen. En we richten ons voortdurend op het bevorderen van empowerment van, door en voor de mensen.

Net als de lamp die niet kan uitdoven dienen de innerlijke kwaliteiten van mensen die vrijkomen door empowerment als een blijvende bron van energie voor transformatie, een bron van onuitwisbare hoop.

In de Lotus Soetra, die de kern van Shakyamuni’s leerstellingen verwoordt, staat de ‘Parabel van de schijnstad en het Land vol schatten’[xiii].

Een karavaan trok door een uitgestrekte woestijn onder leiding van een gids die goed bekend was met het gevaarlijke terrein. Deelnemers aan de karavaan raakten uitgeput en stonden op het punt hun reis op te geven. Maar als ze terug zouden keren, zouden hun inspanningen tevergeefs zijn geweest en dus gebruikte de gids zijn magische gaven om een visioen op te roepen van een schitterende stad waar ze naartoe konden gaan, en moedigde hen aan vol te houden tot ze de stad hadden bereikt. Dit visioen deed de hoop van de deelnemers aan de karavaan weer opleven en toen ze de stad bereikten, konden ze daar uitrusten. Toen hij zag dat ze uitgerust waren, onthulde de gids dat de stad waarin ze waren eigenlijk een schijnstad was die hij als een visioen had opgeroepen om ze moed te geven. Hun feitelijke bestemming, het land vol schatten, was dichtbij en hij spoorde hen aan om samen door te gaan tot ze dat hadden bereikt.

Het centrale thema in deze parabel vinden we in de woorden van Shakyamuni “samen kunt u het land vol schatten bereiken”[xiv]. Hieronder kunnen we een trotse bevestiging verstaan van de menselijke geest, namelijk om samen met anderen door te gaan in een onvermoeibaar najagen van gezamenlijk geluk, hoe pijnlijk of wanhopig dat soms ook mag lijken.

Als we dit bekijken in het licht van de eerder besproken oorzakelijke relatie, kregen mensen die in een toestand van zeer zware uitputting waren geraakt (oorzaak) en anders misschien niet in staat waren geweest om verder te gaan (gevolg) weer nieuwe energie en konden hun bestemming bereiken (bijkomend gevolg) dankzij de woorden van aanmoediging (relatie).

Nichiren (1222-82), de Japanse boeddhistische leraar die een unieke visie op het boeddhisme ontwikkelde op basis van het gedachtegoed van de Lotus Soetra, beweerde dat er geen fundamenteel verschil bestaat tussen de schijnstad en het land vol schatten, maar dat ze in feite identiek waren. Het gaat niet eenvoudig om het resultaat van het bereiken van het land vol schatten, maar om het hele proces – samen kunt u het land vol schatten bereiken – en dat is van onschatbare waarde.

Wanneer de oorzaak en de relatie van het lijden van mensen en de aanmoediging dat te overwinnen op een harmonieuze manier met elkaar worden versmolten, wordt elke stap vooruit een “moment van leven in de schijnstad” en schittert door de hoogste waardigheid van het leven, een “moment van leven in het land vol schatten”[xv].

Toen ik schreef over de Millennium Development Goals (MDG’s) die in de periode tot 2015 voorafgingen aan de SDG’s, maakte ik de opmerking dat de inspanningen om ze te bereiken niet alleen gericht moeten zijn op het halen van doelen, maar ook op het herstellen van het welzijn van het individu dat lijdt.[xvi] Als er teveel aandacht uitgaat naar de hoeveelheid resultaten, kan er een gebrek aan voldoende aandacht zijn voor de behoeftes van echte mensen; dit kan de motivatie ondermijnen die nodig is voor het bereiken van de doelen.

Dit doet me denken aan de woorden van de Argentijnse mensenrechtenactivist Adolfo Pérez Esquivel: “Wanneer mensen zich richten op een gezamenlijk menselijk doel, wanneer ze streven naar vrede en vrijheid, ontketenen ze buitengewone capaciteiten.”[xvii]

Dr. Esquivel kreeg deze overtuiging door het vergroten van solidariteit met de mensen van Latijns-Amerika, die weigerden de hoop voor de toekomst op te geven, zelfs onder de moeilijkste sociale omstandigheden. Hij drukte zijn bewondering voor de acties van het gewone volk uit met dit treffende beeld:

Wanneer we ons meer gaan verdiepen in het leven van gewone mensen, zien we dat man of vrouw, jong of oud – zonder enige pretentie van heldendom – dagelijks vol optimisme uitkijkt naar een wonder en een knop die opengaat.

Zo’n bloem kan bloeien te midden van de strijd om het dagelijks leven, in de glimlach van een kind, in het scheppen van hoop en het verlichten van ons pad, wat ons laat zien dat onze inspanningen onze bevrijding zijn.[xviii]

Geen van de SDG’s zal makkelijk te halen zijn. Maar door met empathie banden te onderhouden met mensen die het moeilijk hebben en ons in te zetten voor empowerment, moet ieder van ons in onze directe omgeving een bloem tot bloei kunnen brengen.

Niemand heeft hierin een belangrijkere rol dan de jeugd.

Resolutie 2250 van de Veiligheidsraad, die ik al eerder noemde, benadrukt het belang van deelname van jongeren aan het vredesproces. Dit bevestigt dat jonge mensen het vermogen hebben om nieuwe doorbraken teweeg te brengen op elk gebied waar ze de kans krijgen zich actief in te spannen.

In de zomer van verleden jaar raakten veel mensen geroerd toen een team van vluchtelingen voor de eerste keer bij de Olympische Spelen het veld opging. De woorden die ze bij die gelegenheid zeiden, klinken nog steeds na in het hart van veel mensen. Een van hen sprak de wens uit dat hij deze kans om op de Olympische Spelen te kunnen hardlopen, wilde aangrijpen om aan medevluchtelingen de boodschap over te brengen dat het leven ten goede kan veranderen, terwijl een ander terugkeek op zijn levenservaring en zei dat hij daar kracht uit putte en bij het hardlopen de hoop had dat vluchtelingen een beter leven zouden kunnen leiden.[xix]

Hun woorden brengen de boodschap over dat de echte essentie van de jeugd niet in het verleden gezocht moet worden en ook niet in de toekomst, maar eerder in het verlangen iets te doen voor het welzijn van andere mensen die nu samen met ons in het heden leven.

Zo is voor jonge mensen de visie van de SDG’s – dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten – niet iets dat op een ver gelegen plaats bereikt moet worden of een doel ergens in de toekomst. De SDG’s verwijzen naar de huidige realiteit van een samenleven met onze medemensen op deze ene planeet, een manier van leven die is toegewijd aan de dagelijkse inspanning voor het opbouwen van een samenleving waarin levensvreugde door iedereen gedeeld wordt.

Wanneer jongeren het besluit nemen om het stukje van de wereld waarin ze wonen te verlichten, ontstaat daardoor een veilige ruimte waarin mensen weer hoop kunnen krijgen en levenskracht. Het vastberadenheid om naast elkaar te leven die in deze veilige ruimte aangewakkerd wordt, straalt als de belichaming van een wereld waarin niemand aan zijn lot wordt overgelaten en geeft moed aan mensen in andere gemeenschappen die met gelijksoortige problemen worden geconfronteerd.

In mijn voorstel van drie jaar geleden heb ik benadrukt dat de jeugd van vandaag de generatie is die de inspanning van het bereiken van de SDG’s op een zeer krachtige manier vorm zal geven. Ik heb ook voorgesteld dat de VN en de burgermaatschappij samen zullen werken in het bevorderen van het soort educatie voor wereldburgerschap dat de onbeperkte mogelijkheden van de jeugd vrij laat komen.

Daarom was ik erg dankbaar dat de conferentie van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) die verbonden zijn aan het UN Department of Public Information (DPI/NGO Conference) verleden jaar in Zuid-Korea is gehouden met als thema ‘Educatie voor wereldburgerschap – het samen bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen’. De conferentie is door veel jonge mensen bijgewoond en toen is het Gyeongju Action Plan aangenomen dat deelnemers verplicht tot het bevorderen van wereldburgerschapeducatie.

De echte waarde van elke staat of gemeenschap ligt in wat er gedaan wordt voor mensen die het hardst door lijden getroffen worden, niet in militaire of economische kundigheid.

Educatie leidt tot de acties en activiteiten die in de loop der tijd de richting bepalen die de maatschappij opgaat. Vooral educatie voor wereldburgerschap kan de voorwaarde scheppen (relatie) die mensen de mogelijkheid geeft om gebeurtenissen aan te passen, waar die ook plaatsvinden, door middel van een gezamenlijke menselijke visie, en om daadkracht en solidariteit te kweken. Dit kan mensen aanmoedigen om wereldproblemen te bekijken in het licht van hun eigen leven en leefstijl en zo de innerlijke capaciteiten die we allemaal bezitten, naar buiten brengen.

Door onderwijs over wereldburgerschap krijgen leerlingen de kans om: 1. de ervaring op te doen de wereld te zien door de ogen van anderen; 2. te ontdekken en duidelijk te krijgen wat nodig is voor het opbouwen van een maatschappij waarin we allemaal samen kunnen leven; en 3. samenwerken om veilige ruimtes te scheppen in hun directe omgeving.

Ik ben ervan overtuigd dat dit soort onderwijs kan dienen als een katalysator (relatie) die jonge mensen in staat stelt om hun volledige kwaliteiten te laten zien, waardoor een mondiale verandering een grotere impuls krijgt.

Het overwinnen van verdeeldheid en vreemdelingenhaat

De tweede moeilijke taak is de basis voor gemeenschappen te leggen waarin verdeeldheid en ongelijkheid worden overwonnen. Bij het snelle proces van globalisering zien we dat steeds meer mensen leven in een land waar ze niet zijn geboren. Sinds het begin van de 21e eeuw is dit aantal met 40 procent gegroeid en gaat het nu om 244 miljoen mensen.[xx]

Met de voortdurende stagnatie van de wereldeconomie zijn de vreemdelingenhaat toegenomen en daardoor zijn de levensomstandigheden van migranten en hun familie steeds moeilijker geworden.

De voormalige Oostenrijkse kanselier Franz Vranitzky sprak drie jaar geleden op een interreligieuze conferentie in Wenen over deze kwestie. Hij merkte op dat met de toenemende globalisering en integratie de solidariteit afneemt en zei:

In de meeste Europese landen neemt de solidariteit af als het gaat om migranten, asielzoekers, enzovoorts. Ik denk dat ook gezegd moet worden dat de meeste politieke leiders, als het gaat om hun eigen kansen in campagnes, helaas zeggen “Vaarwel solidariteit met de armen, met mensen die uit het buitenland komen”.[xxi]

In de afgelopen jaren maakt men zich steeds meer zorgen over het veelvuldig voorkomen van haatspraak, die aanzet tot discriminatie, en over discriminerende politieke uitspraken, niet alleen in Europa maar over de hele wereld.

In combinatie met de VN-Top voor vluchtelingen en migranten van vorig jaar september is een nieuwe campagne van start gegaan die een antwoord moet bieden op de zorgen over de toenemende internationale verplaatsing van mensen en hierin verandering moet brengen. Het is duidelijk dat bij elke poging om deze vraagstukken op te lossen rekening moet worden gehouden met de legitieme zorgen van mensen die in landen wonen die migranten en vluchtelingen opvangen. Zoals de VN in deze campagne aangeeft, is het van cruciaal belang te zoeken naar middelen om de tendens naar vreemdelingenhaat tegen te gaan en bij het aanpakken van deze zorgen de gesprekken over groepen migranten en vluchtelingen weer een menselijk tintje te geven.

Toen ik in oktober 1989 voormalig kanselier Vranitzky ontmoette, spraken we over het belang van culturele en jongerenuitwisselingen en hij benadrukte dat “het de afstand van het hart is die er het meest toe doet, meer dan de afstand die we kunnen meten in het aantal uren van een vliegreis”.[xxii]

Hij vertelde me ook een verhaal over zijn ouders die onderdak hadden geboden aan een Joods echtpaar dat tijdens de Tweede Wereldoorlog voor vervolging was gevlucht. Zijn ouders handelden in een tijd van grote spanning op een consequent menselijke manier en zonder onderscheid te maken op basis van religie of etniciteit. Terugkijkend op deze oorlogservaring was de conclusie van de voormalige kanselier:

Er is een Latijns aforisme: “Als je vrede wilt hebben, bereid je dan voor op oorlog.” Maar ik heb dat door het volgende vervangen als basis voor mijn acties: “Als je vrede wilt hebben, bereid je dan voor op vrede.”[xxiii]

Onze ontmoeting vond net een maand voor de val van de Berlijnse Muur plaats. In februari van dat jaar had kanselier Vranitzky erin toegestemd om het prikkeldraad langs de grens tussen Oostenrijk en Hongarije weg te laten halen, waarmee de weg officieel open was voor mensen om van het Oostblok naar het Westblok te gaan, wat in september begon en in november leidde tot de val van de Berlijnse Muur.

Richard von Weizsäcker (1920-2015), de eerste president van het herenigde Duitsland, beschreef de Berlijnse Muur als de in steen vastgelegde politiek die menselijkheid ontkent[xxiv]. We mogen een dergelijke afschuwelijke verdeeldheid in de 21e eeuw niet meer laten voorkomen.

Zelfs als mensen zich op hun gemak voelen als ze anderen in hun omgeving hebben met dezelfde cultuur of etnische achtergrond, moeten we bedacht blijven op het gevaar dat dit groepsbewustzijn de vorm aanneemt van heftige discriminatie of antagonisme gericht op andere groepen mensen in tijden van verhoogde sociale spanningen. Al eerder heb ik verwezen naar de aansporing van Shakyamuni om niet op grond van afkomst te oordelen, maar op grond van gedrag. Mensen in hokjes stoppen en discrimineren op basis van één enkele eigenschap is verkeerd: het is een bron van verdeeldheid die de maatschappij in haar geheel ondermijnt.

Als we naar onze wereld van vandaag kijken, zien we nog een andere kwestie die het gevolg zou kunnen zijn van dezelfde diepliggende kracht als vreemdelingenhaat. Dit is de groeiende tendens om het marktgerichte economische denken boven al het andere te stellen. We zien dit in veel landen die worstelen met economische stagnatie. De negatieve uitwerking hiervan treft de meest kwetsbare sectoren van de maatschappij het hardst en hun omstandigheden worden steeds wanhopiger.

Het is zeker zo dat het nastreven van economisch denken energieën heeft vrijgemaakt die tot grotere groei hebben geleid. Dit is echter maar een deel van het plaatje. Wanneer het vooropstellen van economisch denken een diep gewortelde gewoonte wordt, worden zelfs de belangrijkste oordelen gevormd op een semi-mechanische manier, met weinig aandacht voor de wensen en het welzijn van de mensen die werkelijk deel uitmaken van de maatschappij.

Vreemdelingenhaat wordt bevorderd door een sterke verdeling van de wereld in goed en kwaad. Er blijft geen ruimte over voor twijfel of gewetensbezwaar. En als verder het nastreven van economisch denken zonder enig tegenwicht van de menselijke factor plaatsvindt, leidt dit tot een manier van denken waarop men bereid is om zelfs de meest extreme offers van anderen te vragen.

De econoom Amartya Sen geeft in zijn geschriften over maatschappelijke rechtvaardigheid enkele belangrijke richtlijnen voor manieren om over deze kwestie na te denken. Bij het ontwikkelen van zijn analyse richt Sen zich op het onderscheid tussen de twee verschillende woorden die gebruikt worden om het idee van rechtvaardigheid over te brengen in oude Sanskriet literatuur over ethiek en jurisprudentie: niti en nyaya.

Volgens Sen verwijst niti naar de correctheid van instellingen, regels en organisaties, terwijl nyaya gaat over wat zichtbaar is en hoe, en in het bijzonder “de levens die mensen in werkelijkheid kunnen leiden”[xxv]. Hij benadrukt dat “de rol van instellingen, regels en organisaties, hoe belangrijk ze ook zijn, moet worden vastgesteld volgens het bredere en meer omvattende gezichtspunt van nyaya, dat onvermijdelijk is verbonden met de wereld die feitelijk zichtbaar is, en niet alleen de instellingen of regels die we toevallig hebben”[xxvi].

Verder vergelijkt Sen de politiek van de oude Indiase koning Ashoka met die van Kautilya, de voornaamste adviseur van Ashoka’s grootvader. Kautilya was de auteur van een beroemd werk over politieke economie, en zijn belangstelling was vooral gericht op politiek succes en de rol van instellingen in het realiseren van economische doelmatigheid.

In tegenstelling hiermee was de politiek van Ashoka altijd gericht op het gedrag en de acties van mensen. Volgens Sen hield de gedachte van Ashoka de overtuiging in dat “maatschappelijke verrijking bereikt kon worden door het vrijwillige goede gedrag van de burgers zelf, zonder enige dwang”.[xxvii]

Ashoka had zijn visie ontwikkeld door een steeds dieper geloof in het boeddhisme, waar hij zich op gericht had nadat hij door spijt was verscheurd bij het zien van de slachting die hij had aangericht door het binnenvallen van een andere staat.

De idee van de Middenweg is een van de grondslagen in het boeddhisme. Als we dit in relatie tot het begrip nyaya zien, wijst het op een voortdurende en zorgvuldige aandacht voor de impact van onze daden op anderen, waarbij de vraag of het om menselijk geluk of ellende gaat het allesomvattende criterium is.

Niti heeft dan weer een belangrijke positie in de hedendaagse maatschappij. Sen geeft aan: “Veel economen van vandaag delen natuurlijk de visie van Kautilya van een omkoopbare menselijkheid.”[xxviii] Hier ligt de overweldigende nadruk op aantallen: op het groeitempo of een maximum winst. Aan de kwetsbaren in de maatschappij wordt vaak niet gedacht of men keert ze de rug toe, omdat het moeilijk is hun belangen precies te omschrijven.

Vreemdelingenhaat en haatspraak brengen in de wereld de tweedeling aan van wij en zij en dat wordt dan gelijkgesteld aan goed en kwaad.

Wat voor sociale voorzorgsmaatregelen hebben we om weerstand te kunnen bieden aan zowel de kracht van vreemdelingenhaat, die de verdeeldheid binnen de maatschappij groter maakt, en het nastreven van economisch denken, dat ongevoelig is voor het opofferen van de kwetsbaren? Ik denk dat het antwoord ligt in sterke banden tussen mensen, het soort vriendschap dat het concrete beeld van een ander persoon zichtbaar maakt en ons van binnen raakt.

Een citaat van de beroemde Britse historicus Arnold J. Toynbee (1889-1975), met wie ik een uitgebreide dialoog heb gevoerd:

Ik heb de ervaring dat de oplossing voor traditioneel vooroordeel ligt in persoonlijke kennismaking. Wanneer je iemand anders persoonlijk leert kennen, wat voor religie, nationaliteit hij ook heeft of van welk ras hij ook is, moet je wel inzien dat hij, net zoals jij, een mens is.[xxix]

In de loop van mijn inspanningen om uitwisselingen en interacties aan te gaan met mensen uit verschillende delen van de wereld, is een duidelijk gevoel van de onschatbare waarde van vriendschap me altijd bijgebleven. Elk van de bijna tachtig dialogen die ik door de jaren heen heb gepubliceerd is een blijk van een gezamenlijk verlangen naar vrede, ongeacht verschillen in geloof en levenservaring; ze hebben stuk voor stuk geleid tot het ontstaan van blijvende vriendschap en een gemeenschappelijke wens de lessen van de geschiedenis aan de komende generatie over te brengen.

De omstandigheden van immigranten was een van de onderwerpen in mijn discussies met twee Amerikaanse geleerden, dr. Larry Hickman en dr. Jim Garrison, beide vroegere presidenten van de John Dewey Society. We spraken toen over het baanbrekende sociale activisme van Jane Addams (1860-1935) in de VS omstreeks de laatste eeuwwisseling.

Na haar bezoek aan Toynbee Hall, waarvan zij zeer onder de indruk was, een welzijnsinstelling die trouwens naar de oom van dr. Toynbee is vernoemd, besloot ze een dergelijke instelling in haar thuisland te vestigen. De meeste mensen die in de buurt van Hull House in Chicago woonden, waren verarmde immigranten. Volgens een biografie van Addams was Hull House:

(…) een soort eiland dat veel immigranten de kans gaf om vrijer adem te halen. Hier kunnen ze hun eigen taal spreken, hun muziek spelen, hun cultuur beleven (…).[xxx]

Met de hulp van Addams en haar compagnons konden deze immigranten de basis leggen voor hun nieuwe leven in de Verenigde Staten.

Addams werd steeds gemotiveerd door het geloof dat er meer winst te behalen is door mensen samen te brengen dan door ze uiteen te drijven. De jonge mensen die door haar werden geïnspireerd zouden de eerste generatie maatschappelijke wetenschappers en maatschappelijke werkers worden. Door hun volhardende research en veldwerk is het wettelijke kader voor steun aan immigranten en verarmde personen hervormd.

Dr. Hickman merkte op dat de activiteiten van Addams voor ons belangrijke lessen zijn nu we met de problemen van onze steeds sterker globaliserende wereld te maken hebben. Ik ben het daar volkomen mee eens.

Een van de mensen die met Addams in Hull House werkte, zei dat ze niet zozeer hoopten de hele wereld te kunnen verbeteren, maar altijd gewoon vrienden wilden zijn voor mensen die eenzaam waren.[xxxi]

Addams zelf lijkt hetzelfde credo te hebben omarmd. Ze moedigde haar collega’s aan vrienden en buren te worden van mensen in nood.

Zij kunnen ons leren hoe het leven echt is. We kunnen leren waar onze opgehemelde beschaving tekort schiet.[xxxii]

Interactie en vriendschap tussen twee mensen kunnen hen beroeren en tot in het diepst van hun wezen raken.

De vroegere Indonesische president Abdurrahman Wahid (1940-2009) waarschuwde dat we ons niet mee moeten laten slepen door opvattingen van conflicten die in de maatschappij vaak luidkeels worden verkondigd. Vele jaren lang leidde de nu overleden president een grote moslimbeweging in Indonesië. Hij ontkende de onvermijdelijkheid van botsingen tussen beschavingen en benadrukte dat het grootste probleem ligt in het overwinnen van het niet begrijpen van anderen en van onze vooroordelen.[xxxiii]

In onze dialoog sprak hij regelmatig uit hoe belangrijk hij vriendschap vond. Hij haalde daarbij zijn eigen ervaring aan van zijn studietijd in het buitenland en gaf uiting aan zijn hoge verwachtingen van het effect van dergelijke jongerenuitwisselingen. “Ik hoop oprecht dat ze geen individuen zullen worden die alleen aan hun eigen belang denken, maar zich bekommeren om de belangen van de maatschappij en zich inzetten voor het bevorderen van wereldvrede en harmonie.”[xxxiv]

Op basis van mijn eigen ervaring met het aangaan van vriendschapsbanden met mensen van verschillende religies en culturele achtergronden in een poging om grotere solidariteit voor vrede te kweken, ben ik me ten diepste bewust van de betekenis van zijn woorden.

In 1996 heb ik het Toda Instituut voor Wereldvrede en Beleidsonderzoek opgericht om de erfenis van Josei Toda levend te houden, met zijn visie op wereldburgerschap en een wereld zonder kernwapens. De in Iran geboren vredesgeleerde dr. Majid Tehranian (1937-2012) met wie ik langdurig bevriend was, bewees ons de eer om de eerste directeur van het instituut te worden.

De wereld is niet zomaar een verzameling staten en bestaat ook niet alleen uit religies en beschavingen. Onze levende, ademende wereld is een weefsel van de inspanningen van talloze mensen die misschien een bepaalde achtergrond gemeen hebben, maar van wie er geen twee gelijk zijn.

Wanneer we anderen alleen beoordelen op grond van hun religie of etniciteit, krijgen we een verwrongen beeld van de rijke realiteit die we als individu ieder op zich bezitten. Wanneer we daarentegen door onze individuele vriendschappen een diep besef ontwikkelen van de unieke waarde van ieder van ons, worden de verschillen in etniciteit of religie belicht door de waardigheid en de waarde van die vriend en gaan dan stralen als de waarde van diversiteit.

Het magnetische veld van vriendschap kan fungeren als een innerlijk kompas als we ons gevoel van richting zijn kwijtgeraakt en ons helpen om de maatschappij weer de juiste richting op te sturen als ze uit de koers lijkt te raken.

Dit zijn de gedachten achter de voortdurende en actieve inspanningen van de SGI om uitwisselingen in de burgermaatschappij aan te moedigen, vooral onder jongeren, door het koesteren van een-op-een-ontmoetingen waaruit echte vriendschappen ontstaan. De vriendschapsbanden vormen een basis voor het bieden van weerstand aan de stromen van haat en ophitsing in tijden van verhoogde spanningen tussen landen of een verhevigd conflict tussen religieuze tradities. Met het gezicht van individuele vrienden op ons netvlies, vastbesloten niet toe te laten dat de maatschappij een plaats wordt waar ze zich niet welkom zouden voelen, kunnen we eraan werken een transformatie op gang te brengen van conflict naar een vredig naast elkaar bestaan, te beginnen in onze directe omgeving. We hopen dat we de gelegenheid kunnen creëren voor het ontstaan van een generatie van mensen die zich toeleggen op vrede en die bruggen bouwen van vriendschap en de kettingreacties van haat en geweld doorbreken.

Meer dan wat ook is er vreugde te vinden in een gesprek met een vriend. Vriendschap maakt van het uitwisselen van woorden op zich een plezier en een bron van aanmoediging. We worden erdoor gesteund en krijgen de moed om de moeilijkste situaties onder ogen te zien.

Een opkomend getij van vriendschap binnen de jongere generatie moet de maatschappij wel veranderen. Ik verwacht dan ook vol vertrouwen dat vriendschap tussen jongeren de vervuilde stromen van verdeeldheid krachtig zullen terugdringen en een levendige cultuur van vrede doen ontstaan op basis van een diep respect voor diversiteit.

De jeugd en vrouwen betrekken bij de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s)

De derde moeilijke taak die ik zou willen bespreken is die van het vergroten van het vermogen van gemeenschappen om zelfs op de grootste beproevingen of zwaarste omstandigheden positief te reageren.

De SDG’s verschillen in veel opzichten van de MDG’s, maar ik vind het vooral belangrijk dat ze met een behoorlijke inbreng van de burgermaatschappij zijn aangenomen.

In het ontwikkelingsproces van de SDG’s binnen de VN is er een gezamenlijke inspanning geleverd om met diverse belanghebbenden in gesprek te gaan, onder wie vrouwen en jongeren. Er werden overzichten gemaakt wat betreft de aandachtsgebieden die de prioriteit moeten krijgen en daar hebben meer dan zeven miljoen mensen aan deelgenomen. Ongeveer 70 procent van de ondervraagden was jonger dan dertig jaar.[xxxv] Veel aandachtsgebieden die hoog op de lijst in het onderzoek stonden, zoals educatie, gezondheidszorg en werkgelegenheid, werden in de SDG’s opgenomen.

De 2030 Agenda for Sustainable Development erkent het belang hiervan in de volgende bewoordingen:

Miljoenen voelen zich al betrokken en zullen zich deze Agenda eigenmaken. Het is een Agenda van de mensen, door de mensen en voor de mensen, en dit – zo geloven wij – zal het succes ervan verzekeren.[xxxvi]

In het voorstel dat ik ter gelegenheid van de Rio+-conferentie van 2012 schreef en dat het startpunt was voor het opstellen van de SDG’s, heb ik mijn sterke hoop uitgedrukt dat ze in de kern een dergelijke agenda van de mensen zouden zijn. Ik deed dit omdat ik het gevoel had dat het moeilijk zou zijn om het bereiken van elk van deze doelen in gang te zetten, wanneer grote aantallen mensen zich niet persoonlijk met de vraagstukken konden identificeren.

Een ander bijzonder kenmerk van de SDG’s als agenda voor de mensen is dat ze een nieuwe benadering hebben, gebaseerd op het besef dat de kwesties waarmee we nu te maken hebben “onderling met elkaar verband houden en vragen om een totale oplossing”.[xxxvii] Hierin verschillen ze nogal van de MDG’s, waarin thema’s als het uitroeien van armoede of honger meer als een op zichzelf staand iets naar voren werden gebracht.

De SDG’s streven naar het op gang brengen van effectieve cycli waarin de vooruitgang in het bereiken van één doel mogelijk wordt gemaakt op meerdere andere fronten. Als er bijvoorbeeld vooruitgang wordt geboekt in het zekerstellen van veilige waterbronnen (Doel 6), zal dat leiden tot een vermindering van het aantal mensen dat lijdt aan infectie- of andere ziektes (Doel 3). Dit zal ook de last verlichten voor vrouwen die elke dag vele uren bezig waren met de watervoorziening voor hun familie en op deze manier nieuwe kansen kregen om te gaan werken (Doel 5); hierdoor kunnen ze aan uitzonderlijke armoede ontsnappen (Doel 1) en hun kinderen naar school laten gaan (Doel 4).

Onder de naam Nexus Benadering is dit op de Universiteit van de Verenigde Naties onderzocht en voorafgaand aan de start van de SDG’s bij wijze van experiment toegepast in een aantal gebieden. Het doel van deze aanpak is de verbanden te ontdekken tussen de 169 subdoelen binnen de 17 doelen die samen de SDG’s vormen, en om een gelijktijdige vooruitgang te boeken in het bereiken ervan.

De SDG’s houden ook een aantal doelen in die niet waren opgenomen in de MDG’s, zoals bijvoorbeeld klimaatverandering en inkomensongelijkheid. Maar het is belangrijk te bedenken dat al deze problemen van oorsprong uiteindelijk menselijk zijn en daarom met menselijke inspanning opgelost moeten kunnen worden. Als we door het ondernemen van actie een aanzienlijke vooruitgang kunnen boeken op een gebied, kan die vooruitgang het effect hebben dat het oplossen van andere problemen sneller gaat.

In de traditie van het Mahayana-boeddhisme roept de leer dat verkeerde impulsen, of aardse verlangens en lijden, essentieel zijn voor verlichting het soort dynamiek op dat hier nodig is. Ze roept op tot heroriëntatie van ons begrip van de aard van menselijk geluk. Geluk is niet het resultaat van het uitroeien of afstand nemen van de verlangens en impulsen die de oorzaak van lijden zijn. Daarom is het van cruciaal belang dat we de realiteit inzien dat verlichting – de kracht en wijsheid een pad te banen naar een beter leven – in ons leven blijft bestaan, zelfs tijdens gevoelens van hevige angst en pijn.

Het probleem ligt niet eenvoudig in ons lijden, maar in de manier waarop we omgaan met dat lijden en wat voor actie we daarop ondernemen.

In zijn commentaar op een passage in de Lotus Soetra waarin staat: “Ze [de Lotus Soetra] kan ervoor zorgen dat levende wezens al hun zorgen afwerpen, alle ziekte en pijn. Ze kan alle banden van geboorte en dood losmaken”[xxxviii] schrijft Nichiren: “We zouden de woorden ‘afwerpen’ moeten zien in de zin van ‘verlicht worden wat betreft’”[xxxix] (d.w.z. duidelijk zien wat de aard ervan is).

Hier moedigt Nichiren ons aan de ogen niet te sluiten voor de realiteit om ons heen, maar die direct aan te pakken. Door duidelijk te zien wat onze situatie is, kunnen we onszelf, zoals we nu zijn, veranderen van iemand die gekweld wordt door angst in iemand die zijn eigen geluk creëert. Verder leert het boeddhisme dat deze golven van verandering zich verspreiden door middel van het net van onderlinge verbondenheid waarin we leven, wat een sterke invloed heeft op onze directe omgeving en de maatschappij in haar geheel.

Het gegeven om niet vast te blijven zitten in een situatie maar die eerder te veranderen door proactief nieuwe verbindingen aan te gaan is door de filosoof Hannah Arendt (1906-75) gebruikt in een discussie over authentieke menselijkheid (humanitas). Met een verwijzing naar het begrip ‘zich in het publieke domein begeven’ dat door Karl Jaspers, die ook haar mentor was, is besproken, bracht ze naar voren dat authentieke menselijkheid niet in afzondering bereikt kan worden, maar “alleen door iemand die zich met zijn leven en hele wezen heeft gestort op ‘het begeven op het publieke domein’”.[xl]

Arendt beschrijft deze stap als de actie van “het weven van onze eigen draad in een netwerk van relaties”. En hoewel Arendt erkent dat het resultaat niet zeker is – “We weten nooit wat eruit voortkomt” – drukt ze haar sterke vertrouwen uit in het volgende:

Deze actie is alleen mogelijk als er vertrouwen is in mensen. Een vertrouwen – moeilijk op te bouwen, maar essentieel – in dat wat menselijk is in alle mensen. Op een andere manier kan een dergelijke actie nooit plaats vinden.[xli]

Dit vertrouwen is, zo benadrukt Arendt, van essentieel belang en gaat niet alleen om onszelf en anderen in onze directe omgeving; het is ook het vertrouwen in de zin dat we de wereld waarin we leven onder ogen kunnen zien zonder ooit de hoop te verliezen.

Verleden jaar hebben de United Nations Entity for Gender Equality en Empowerment of Women (UN Women) voorbeelden belicht van vrouwen die het realiseren van de SDG’s bevorderen door actie te nemen voor anderen, vaak onder zeer moeilijke omstandigheden; ze doen dit onder het thema ‘Vanuit mijn positie’. Onder hen is een ingenieur in zonne-energie die actief is in haar dorp in Tanzania. Ondanks het feit dat ze een handicap heeft, heeft ze er hard aan gewerkt om haar vaardigheden te ontwikkelen en blijft ze haar kennis gebruiken om haar dorpsgenoten te helpen. Eerst hadden maar weinig mannen respect voor haar als ingenieur, maar toen ze zonne-installaties in hun huizen had geïnstalleerd, ervoor had gezorgd dat ze licht kregen en apparatuur repareerde wanneer dat stuk was gegaan, kreeg ze van steeds meer mannen respect.

Voorheen was ons dorp altijd in duisternis gehuld als de zon eenmaal was ondergegaan, maar nu is er licht. Net nog kwamen twee kinderen de lantaren op zonne-energie halen die ik voor ze had gemaakt. Ze hadden een brede glimlach op hun gezicht. Vanavond zullen ze hun huiswerk kunnen maken. [xlii]

Ik denk dat dit een prima voorbeeld is van een effectieve kringloop die de SDG’s bevordert als de agenda van de mensen. Door de empowerment van één vrouw kregen de mensen in een dorp in Tanzania niet alleen de beschikking over duurzame energie, maar was er een zichtbare verandering te zien in de houding naar vrouwen toe, en kregen kinderen meer kansen om te studeren.

Het werk van deze vrouw, in stilte maar van onschatbare waarde, laat zien waar Arendt het over had met “weven van onze eigen draad” en daarbij de situatie op de plaats waar je nu bent verbeteren. Hierin zie ik hoe magnifiek een authentieke menselijkheid echt is.

In staat zijn om problemen op te lossen is niet alleen weggelegd voor bijzondere mensen: het is een weg die zich voor ieder van ons opent wanneer we de werkelijkheid direct onder ogen zien, een aspect van de zware last oppakken en volhardend doorgaan. Onze capaciteit om moeilijkheden te overwinnen komt vrij als we angst en zorgen omzetten in beslissing en actie.

Vooral jonge mensen zijn gezegend met een frisse gevoeligheid en een vurig streven naar idealen. Hun energie kan kettingreacties van positieve verandering in werking zetten als ze vertrouwensbanden tussen mensen smeden.

Jongeren vormen als sinds de tijd van president Toda en zijn verklaring waarin hij opriep tot het afschaffen van kernwapens, de kern in de vredesactiviteiten van de SGI. Deze jonge mensen verwerpen het heersende gevoel van machteloosheid waar de hedendaagse maatschappij onder gebukt gaat en dat de mensen ervan overtuigt dat hun acties geen verandering teweeg kunnen brengen. Vol energie ondernemen zij actie in het vertrouwen dat hun huidige omstandigheden nu net de situatie is die hen in staat stelt een unieke taak te vervullen.

Drie jaar geleden startten de jeugdleden in Japan de SOKA Global Action-vredescampagne. Ze hebben activiteiten ondernomen ter ondersteuning van de spirituele en psychologische wederopbouw in de streken van Japan die in maart 2011 door de ramp van een aardbeving en een tsunami zijn getroffen. Ze hebben zich ook ingezet voor het opbouwen van vriendschapsbanden met hun buren in Azië en streefden er daarbij naar een cultuur van vrede te creëren en het afschaffen van kernwapens te bevorderen.

Jongeren van de SGI nemen over de hele wereld de uitdaging op om de bestaande situatie op gebieden als ecologische integriteit, mensenrechteneducatie en geweldloosheid te veranderen. Sommige activiteiten hebben specifieke links met de SDG’s. In november van verleden jaar was de SGI bijvoorbeeld medesponsor van een activiteit op het Hoofdkwartier van de VN met de titel ‘Jongeren versnellen de bevordering en het implementeren van de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s)’. Dr. David Nabarro, speciaal adviseur van de secretaris-generaal van de VN voor de 2030 Agenda voor duurzame ontwikkeling, zei tegen de deelnemers:

We moeten ervoor zorgen dat er ruimte is voor jonge mensen overal ter wereld om deel uit te maken van deze beweging voor duurzame ontwikkeling (…). Jonge mensen willen vol vreugde met elkaar samenwerken, ze willen elkaar vertrouwen.[xliii]

In zijn woorden weerklinkt onze toewijding aan het bereiken van de SDG’s. Als je denkt dat jonge mensen alleen te bewegen zijn om te reageren op directe bedreigende omstandigheden, doe je hen zwaar tekort. Ze gaan verder in het vertrouwen dat er vreugde is en hoop die ze met elkaar kunnen delen als ze elk probleem aanpakken en overwinnen.

Hoewel er geen wettelijke verplichting is om de SDG’s te bereiken, zijn ze vervuld van hoop om onze wereld te kunnen veranderen. Als een groeiend aantal jonge mensen van het verwezenlijken van die hoop een persoonlijke gelofte maakt en daarop actie onderneemt, zullen inspanningen om alle doelen te bereiken enorm aan kracht winnen.

Leden van de SGI zullen, door zich speciaal te richten op jonge mensen, ernaar blijven streven om kettingreacties van positieve verandering op gang te brengen voor het oplossen van het hele scala aan problemen, van die in plaatselijke gemeenschappen tot en met de bedreigende situaties op onze planeet.

Het afschaffen van kernwapens – een stap verder dan afschrikking

Vervolgens zou ik enkele concrete voorstellen willen doen op het gebied van drie prioriteitsgebieden die cruciaal zijn voor het realiseren van de vreedzame, rechtvaardige en inclusieve leefgemeenschappen die het doel zijn van de SDG’s:

  1. het verbieden en afschaffen van kernwapens;
  2. een antwoord bieden op de vluchtelingencrisis; en
  3. het creëren van een cultuur van mensenrechten.

Met betrekking tot de eerste heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in december 2016 een historische resolutie aangenomen met de oproep tot het starten van onderhandelingen over een wettelijk bindend middel om kernwapens te verbieden. In de resolutie wordt de oproep gedaan voor een eerste conferentie eind maart en een tweede van half juni tot begin juli, beide op het Hoofdkwartier van de VN, en worden deelnemende regeringen aangemoedigd hun uiterste best te doen voor het spoedig sluiten van een verdrag.

In onze wereld van vandaag zijn er nog steeds meer dan 15.000 kernkoppen.[xliv] Het proces van kernontwapening is gestagneerd, terwijl plannen voor het moderniseren van kernwapenarsenalen verder zijn ontwikkeld. De dreiging die uitgaat van kernwapens neemt zo mogelijk nog toe.

President John F. Kennedy van de VS (1917-63) gebruikte een anekdote uit het oude Griekenland om ons voor dit gevaar te waarschuwen. Het zwaard van Damocles blijft boven ons hoofd hangen in de vorm van de dreiging van onvoorstelbare vernietiging van de mensheid en het wereldmilieu. Dit is niet iets van het verleden. Maar, zoals de resolutie van de Algemene Vergadering benadrukt, de noodzaak om het kernprobleem op te lossen is “nu nog veel urgenter”.[xlv]

Hiertoe zou ik enkele voorstellen willen doen.

Het eerste betreft het zo snel mogelijk houden van een topontmoeting tussen de VS en Rusland om opnieuw het kernontwapeningsproces te stimuleren. Er rust een behoorlijk zware verantwoordelijkheid op de schouders van deze twee leiders van landen die enorme kernwapenarsenalen bezitten, die een bedreiging vormen voor het leven van iedereen op deze aarde vanwege hun vermogen om de beschaving die de mensheid door de eeuwen heen heeft opgebouwd, tot nul te reduceren.

Al vanaf het moment dat de spanningen tussen de twee landen enorm zijn toegenomen vanwege de situatie in de Oekraïne drie jaar geleden, is de verkilling in bilaterale betrekkingen zo groot geworden, dat de vergelijking met een nieuwe Koude Oorlog al is gemaakt. Sinds het van kracht worden in 2011 van het Nieuwe START Verdrag, zijn onderhandelingen over kernontwapening in een impasse geraakt en worden er vraagtekens gezet bij de status van het verdrag in de jaren na 2018, als de huidige cyclus van reducties afgerond zou moeten zijn.

Donald J. Trump, die op 20 januari is geïnaugureerd als president van de VS, heeft na zijn verkiezingsoverwinning de Russische president Vladimir Poetin opgebeld en in hun gesprek zijn ze overeengekomen te streven naar een verbetering van de bilaterale betrekkingen. Ik hoop ten zeerste dat de leiders van deze twee landen, die samen meer dan 90 procent van de wereldvoorraad aan kernwapens bezitten, serieuze gesprekken gaan voeren over het kernwapenvraagstuk en gaan werken aan het verminderen van de spanningen.

Meer dan vijfentwintig jaar na het einde van de Koude Oorlog is het beleid van nucleaire afschrikking nog steeds van kracht en ongeveer 1.800 kernwapens staan op scherp, wat betekent dat ze in een oogwenk kunnen worden afgevuurd.[xlvi]

Laten we goed nadenken over de betekenis van dit feit.

In zijn recente toespraak heeft de voormalige minister van Defensie van de VS William J. Perry een episode aangehaald uit zijn tijd als onderminister van Defensie in de regering Carter. Hij sprak over de schok die hij kreeg toen hij laat in de avond een noodbericht ontving van de officier van wacht in het North American Aerospace Defense Command (NORAD) met de boodschap dat er 200 Sovjet-raketten richting de VS gelanceerd waren. Hoewel er al snel was begrepen dat het om een vals alarm ging, zou de president van de Verenigde Staten, als deze informatie wel juist was geweest, maar enkele minuten hebben gehad om de belangrijke beslissing te nemen al dan niet een tegenaanval te doen.[xlvii]

De gedachte achter afschrikking vereist dat je, zelfs als je in geen enkel opzicht een kernoorlog wenst, in staat moet zijn de bereidheid te laten zien dat je op elk moment kunt terugslaan om zo een vijandige aanval voor te zijn. En verder moet, om te bewijzen dat het niet alleen maar woorden zijn, de mogelijkheid om direct terug te slaan voortdurend aanwezig zijn. Onder deze voorwaarden kun je die dekking zelfs geen moment laten zakken en de dreiging van een op handen zijnde kernoorlog wordt een constante en onvermijdelijke last. Dit beschrijft, denk ik, de realiteit van nucleaire afschrikking die in de tijd van de Koude Oorlog is begonnen en tot op de dag van vandaag aanwezig is.

Terugkijkend naar 1957 toen tweede president Toda van de Soka Gakkai zijn verklaring aflegde met de oproep tot het afschaffen van kernwapens, kan ik constateren dat de contouren van de gedachte van nucleaire afschrikking zich definitief gingen aftekenen. Zowel de VS als de Sovjet-Unie waren bezig met het testen van waterstofbommen in de steeds grotere wedloop naar het maken van alsmaar krachtiger wapens, en in afvuursystemen ging de aandacht verschuiven van bommenwerpers naar ballistische raketten.

In augustus 1957, een maand voordat president Toda zijn verklaring aflegde, deed de Sovjet-Unie een succesvolle proef met een intercontinentale ballistische raket (ICBM), waarmee het land de mogelijkheid kreeg om een kernwapenaanval te doen en te richten op elke plek op aarde. En verder mislukten op 6 september, net twee dagen voor zijn verklaring, de ontwapeningsonderhandelingen gericht op het verminderen en verbieden van kernwapens, die bijna zes maanden lang onder auspiciën van de VN waren gevoerd. Intensief overleg tussen de VS, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, de Sovjet-Unie en ook Canada had niet tot een overeenkomst geleid en de onderhandelingen werden voor onbepaalde tijd opgeschort.

President Toda zag het afschrikkingsbeginsel als de onderliggende reden voor de onophoudelijke wedloop in het bouwen van steeds meer van zulke wapens die rampzalig kunnen zijn voor de mensheid. Hij zag dat de rechtvaardiging van het bezit van kernwapens, namelijk dat ze een afschrikmiddel voor het bewaren van vrede waren, alleen maar gericht was op het beschermen van de landen die ze in bezit hadden, waarbij ze ongevoelig en onverschillig bleven voor de enorme opofferingen die dit zou vragen van het grootste deel van de mensheid.

Daarom zei hij dat het zijn doel was “de klauwen zichtbaar te maken en uit te rukken”[xlviii], dat wil zeggen, de onderliggende gedachte die het bezit van kernwapens rechtvaardigt onder ogen te brengen en te overwinnen.

De nucleaire confrontatie tussen de VS en de Sovjet-Unie werd indertijd vergeleken met “twee schorpioenen in een fles”.[xlix] Wat daarbij meestal werd vergeten was dat veel landen buiten de kernwapenstaten ook in diezelfde fles zaten, samen met hun verscheidene miljarden inwoners. Zo heeft de confrontatie van steken of gestoken worden de gevaarlijke realiteit versluierd van de apocalyptische aard van kernwapens, waardoor ze fundamenteel anders zijn dan alle andere.

Met de woorden dat “wij, de burgers van de wereld, een onschendbaar recht hebben op leven”[l], probeerde Toda de illusies betreffende de kernwapenafschrikkingstheorie weg te nemen. Hij verklaarde dat het ontoelaatbaar was dat welk land dan ook dit recht zou bedreigen en dat het gebruik van kernwapens nooit te rechtvaardigen is.

De afschrikkingstheorie beperkt het gedachtengebied van mensen. Voorstanders geloven eenvoudig in de doelmatigheid van afschrikking en weigeren na te denken over de rampzalige gevolgen in het geval dat die zou mislukken. Zo weigeren ze ook de realiteit onder ogen te zien dat, onafhankelijk van de afschrikking, een kernexplosie door een ongeluk of defect altijd tot de mogelijkheden behoort.

Niet willen nadenken over de logische gevolgen van acties heeft evenzeer invloed op mensen die onder de uitgebreide afschrikking of de zogeheten nucleaire paraplu vallen.

De realiteit is dat elk van de baleinen van deze nucleaire paraplu in feite een zwaard van Damocles is. Dit onmenselijke beginsel van nationale veiligheid berust op de bereidheid om de bevolking van een ander land de ellende van Hiroshima en Nagasaki te laten ondergaan. Mocht de ontstekingsknop ooit worden ingedrukt en het op elkaar afvuren van kernwapens beginnen, dan zou er onherstelbare schade worden geleden door niet alleen de landen die betrokken zijn bij het conflict, maar ook door buurlanden en de aarde in haar geheel.

De gedachte achter afschrikking plaatst de veiligheid van je eigen land op een van de twee schalen van de balans van gerechtigheid, op de andere schaal staan de levens van grote aantallen gewone burgers en het ecologische leven van de hele planeet.

Als we dit zien in de context van de discussie over rechtvaardigheid van Amartya Sen, waar ik het eerder over had, zouden we kunnen zeggen dat veiligheidsbeleid gericht op het voorkomen van een kernaanval vanuit een ander land, overeenkomt met de niti-vorm van rechtvaardigheid, met de nadruk op de wetmatigheid van het doel. In het licht van de nyaya-opvatting van rechtvaardigheid die gericht is op de wetmatigheid van het resultaat – dat wil zeggen wat er in feite gebeurt met mensen en hun leven – wordt duidelijk dat er geen manier is om een op kernwapens gebaseerd veiligheidsbeginsel te rechtvaardigen dat uitgaat van het verlies van miljoenen levens en het vernietigen van de ecologie op aarde.

Het recht op zelfverdediging tegen een militaire aanval, erkend in het VN-Handvest, en de geldigheid van een niti-visie op veiligheid kunnen gezien het internationale recht niet zomaar worden ontkend. Maar ik zou graag de gedachte aanvechten dat kernwapens voortdurend noodzakelijk blijven.

Door de menselijke geschiedenis heen is het idee van afschrikking gebruikt om het bezit en de ontwikkeling van steeds nieuwere en dodelijker wapens te rechtvaardigen. Maar uit de geschiedenis van de mensheid van bijna onophoudelijke oorlogen blijkt dat afschrikking is mislukt en dat in talloze gevallen conflicten het resultaat zijn. Hoe kunnen we er vertrouwen in hebben dat afschrikking, wat in het verleden zo vaak is mislukt, wel zal werken in het geval van kernwapens?

In zijn recente werk Five Myths About Nuclear Weapons heeft Ward Wilson deze kwestie behandeld. Wilson kijkt terug op 6.000 jaar menselijke geschiedenis van oorlog en groepsgeweld. Wanneer je alleen naar de zestig jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog kijkt, is dat hetzelfde als, in zijn woorden, te beweren dat je een tendens hebt ontdekt op grond van één procent van de gegevens. Hij geeft als commentaar: “Vooral wanneer je te maken hebt met een verschijnsel dat kennelijk diep in de menselijke aard verankerd is, lijkt dit onzorgvuldig.”[li] Hij brengt naar voren dat een goede overweging van deze kwestie vraagt om een millenniumvisie als Arnold J. Toynbee ontwikkelde, waarin hij de opkomst en het verval van veel beschavingen betrok.

Juist omdat afschrikking inderdaad iets is dat diep in de menselijke aard verankerd ligt, moeten we de grote risico’s die daarin diep verscholen zitten, direct onder ogen zien.

Het idee van de inherente waardigheid van het leven is in het boeddhisme ontwikkeld door net zo’n diepgaand onderzoek van de menselijke natuur en ik denk dat het in dit opzicht relevant is. Ik wil graag de volgende woorden van Shakyamuni citeren, die hij zou hebben gezegd toen hij bemiddelde in een conflict tussen twee stammen over waterrechten.

Kijk naar de mensen die vechten, bereid om te doden! Het opnemen van de wapens en zich klaar maken voor de aanval wekt angst op.[lii]

Het is opmerkelijk hoe Shakyamuni de gevoelens ziet van mensen die betrokken zijn bij een vijandig treffen: Ze namen de wapens niet op uit angst voor de tegenstander, maar werden eerder bang op het moment dat ze de wapens opnamen. En al hebben ze misschien woede gevoeld voor een tegenstander die probeerde hun water weg te nemen, ze waren niet door angst overmand. Maar op het moment dat ze bewapend waren, bereid om hun tegenstanders een dodelijke slag toe te brengen, waren ze doodsbang.

David Emanuel Hoffman, die lange tijd als redacteur bijdragen schreef voor de Washington Post, heeft heel welsprekend beschreven hoe een dergelijke door angst ingegeven manier van benadering bijna tot een bijzonder nachtmerrieachtig scenario heeft geleid in de Koude Oorlog.[liii]

In het begin van de jaren ’80 van de 20e eeuw begonnen Sovjetleiders plannen te maken voor een systeem dat zou blijven functioneren, zelfs nadat een kernaanval het politieke leiderschap van het land en ook de militaire hiërarchische structuur had vernietigd. Meer dan wat ook waren ze bang de mogelijkheid om terug te slaan kwijt te raken. Zij hadden een volledig automatisch, computergestuurd systeem voor ogen dat onder alle omstandigheden een vergeldingsaanval zou garanderen. Het project is uiteindelijk echter bijgesteld, omdat de militairen het idee verwierpen van het doen van een kernaanval zonder enige inmenging van een menselijke factor. In plaats daarvan werd het besluitvormende gezag overgedragen aan overlevende officieren in diepgelegen bunkers.

Met andere woorden, voor een nucleair vergeldingssysteem dat niet zou kunnen worden stopgezet door menselijk ingrijpen werden feitelijk plannen gemaakt in de laatste jaren van de Koude Oorlog. En al zijn deze plannen nooit verder dan de ontwerpfase gekomen, deze uiterste vorm van afschrikking is de belichaming van de diepgewortelde angst die voortkomt uit het bezit van kernwapens.

Verleden jaar oktober was het dertig jaar geleden dat de Top van Reykjavik is gehouden, een mijlpaal die het proces in gang zette naar het einde van de Koude Oorlog.

Toen algemeen secretaris van de Sovjet-Unie Michael Gorbatsjov het voorstel deed voor een ontmoeting met de president van de VS Ronald Reagan (1911-2004) in de hoofdstad van IJsland, dat halverwege Washington en Moskou is gelegen, had hij de ramp in Tsjernobyl in gedachten die zes maanden daarvoor had plaatsgevonden en waardoor hij zich grote zorgen was gaan maken over de gevaren van een kernoorlog. Men zegt dat ook president Reagan het idee om vrede te handhaven door middel van de dreiging van een massaslachting door een kernoorlog ondraaglijk vond.

Aangezien beide leiders zich ernstige zorgen maakten over kernwapens, gingen hun gesprekken zover dat ze op het punt stonden in te stemmen met hun volledige afschaffing. En al konden ze uiteindelijk niet tot die overeenkomst komen, het jaar daarop sloten ze het Intermediate-Range Nuclear Forces (INF)-verdrag, waarmee ze het proces van kernontwapening in gang zetten.

Nu is het tijd geworden dat de Verenigde Staten en Rusland teruggaan naar de gedachte van Reykjavik en een gezamenlijke basis vinden voor wereldvrede.

De VN-conferentie waar onderhandelingen zullen plaatsvinden over een verdrag voor het verbieden en uiteindelijk afschaffen van kernwapens moet volgens afspraak in maart van start gaan en op de agenda staan maatregelen voor het verminderen en uitroeien van de risico’s van het afvuren van kernwapens als gevolg van een ongeluk of vergissing.[liv] De Verenigde Staten en Rusland hebben dergelijke risico’s herhaaldelijk ervaren tijdens en zelfs na de Koude Oorlog. Ik dring er bij de leiders van deze twee landen op aan om een dialoog aan te gaan met als doel hun wapens uit de hoogste alarmfase te halen en belangrijke nieuwe vooruitgang te maken in het verminderen van kernwapens.

Het verbieden van kernwapens – de erfenis van Hiroshima en Nagasaki

Mijn volgende voorstel betreffende het verbod op en de afschaffing van kernwapens is dat Japan, in het erkennen van zijn historische verantwoordelijkheid en taak als het enige land ter wereld dat in oorlogstijd een kernaanval heeft meegemaakt, zich volhardend moet toeleggen op het bereiken van de grootst mogelijke deelname aan de komende onderhandelingen, waaronder die van staten die kernwapens bezitten of die daarop vertrouwen.

In de afgelopen jaren hebben de steden Hiroshima en Nagasaki eraan bijgedragen dat het kernwapenvraagstuk in de publieke belangstelling is gebleven, door als gastheer op te treden bij een reeks diplomatieke ontmoetingen en het bezoek van buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders te verwelkomen.

Tijdens de achtste Non-Proliferation and Disarmament Initiative (NPDI) Ministerial Meeting in Hiroshima in april 2014 konden de ministers van Buitenlandse Zaken van kernwapenafhankelijke landen waaronder Australië, Duitsland en Nederland, de getuigenis horen van hikabusha (overlevenden van de atoombom). De vergadering gaf een Gezamenlijke Verklaring uit waarin werd benadrukt dat de lopende discussie over de humanitaire impact van kernwapens “een katalysator moest zijn voor een gezamenlijke mondiale actie, met een wereld die vrij is van kernwapens als doel”.[lv]

In april 2016 werd toen de bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de G7 gehouden in Hiroshima. Bij die gelegenheid bezochten de ministers van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk – kernwapenstaten – en Duitsland, Italië, Canada en Japan – kernwapenafhankelijke staten – de Atoombomkoepel. Op de bijeenkomst is de Hiroshima Declaration on Nuclear Disarmament and Non-Proliferation aangenomen, die eindigt met de woorden: “We delen het diepe verlangen van de bevolking van Hiroshima en Nagasaki dat kernwapens nooit meer gebruikt zullen worden.”[lvi]

Tot slot heeft president Barack Obama van de VS in mei 2016 Hiroshima bezocht, de eerste zittende Amerikaanse president die dit deed. Hij zei: “Van alle landen als het mijne die kernwapenvoorraden hebben, moeten we de moed hebben ons niet door de dwangmatigheid van angst te laten beheersen, en een wereld zonder deze wapens nastreven.”[lvii]

Japan moet de staten die hebben deelgenomen aan deze gesprekken in Hiroshima en Nagasaki en zoveel mogelijk anderen aanmoedigen om deel te nemen aan de komende multilaterale kernontwapeningonderhandelingen.

Het is te voorzien dat de onderhandelingen te maken zullen krijgen met het soort obstakels waarvan de 2015 Review Conference of the Parties to the Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons (NPT) last had, toen het aannemen van een eindovereenkomst onmogelijk bleek omdat men er niet in slaagde de kloof tussen de kernwapenstaten en niet-kernwapenstaten te overbruggen.

Maar alle staten zijn zich in de grond van de zaak zeker bewust van het belang van het NPT en de zorg om de rampzalige gevolgen van kernwapens. Dit vormt voor staten de basis voor een gezamenlijk uitgangspunt en een andere richting in het debat over kernwapens.

In dit verband zijn er belangrijke lessen te leren uit de onderhandelingen die hebben geleid tot het Verdrag van Parijs, dat een keerpunt betekende in de inspanningen voor het bestrijden van klimaatverandering. De doorbraak die het verdrag mogelijk maakte was eerder het resultaat van zich richten op het gemeenschappelijke doel van een toekomst met een lage CO2-uitstoot, een wenselijke oplossing voor alle staten, dan op de kwestie wie of wat verantwoordelijk is voor klimaatverandering of de manier daarmee om te gaan.

Een soortgelijke aanpak zou kunnen worden gebruikt voor kernwapens. Werken aan het instellen van een verdrag dat de productie, overdracht, dreiging te gebruiken of het gebruik van deze wapens verbiedt, zou gezien moeten worden als een mondiale onderneming die tot doel heeft te verhinderen dat de verschrikkingen van een kernoorlog ooit nog door enig land worden doorgemaakt. Er moeten serieuze inspanningen worden geleverd om een manier te vinden consensus te bereiken op basis van deze visie.

Zoals in de preambule staat was de beweegreden voor het aannemen van het NPT het besef van “de verwoesting die de hele mensheid zou treffen bij een kernoorlog” en van de noodzaak om “de veiligheid van volkeren te garanderen”.[lviii]

Het basisstandpunt van de komende conferenties komt dus volledig overeen met het NPT. Een verdrag dat kernwapens verbiedt zou het NPT niet vervangen, maar eerder versterken als een uitvoering van Artikel VI waarin de eis staat dat serieuze onderhandelingen moeten worden nagestreefd die leiden naar volledige kernontwapening.

Belangrijk hierin is ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk staten deelnemen om punten van overeenkomst vast te stellen tussen nationale veiligheid en belangen betreffende defensie en de zoektocht naar een wereld zonder kernwapens.

De eerste bijeenkomst van het Preparatory Committee for the 2020 NPT Review Conference zal in mei in Wenen worden gehouden. Naast aandacht voor de verplichting tot het realiseren van kernontwapening die in Artikel VI is vastgelegd, moeten er inspanningen worden geleverd voor de onderlinge erkenning van de veiligheidsbelangen van alle staten en het uitwisselen van ideeën over de stappen die alle partijen moeten nemen om die belangen te behartigen. Als deze overwegingen meegenomen zouden worden in de onderhandelingen over een verdrag voor het verbieden van kernwapens die in juni in New York zullen plaatsvinden, zou dit voor alle staten gunstig zijn. Zorgen voor een koppeling met de NPT Review Conference en het overbruggen van de kloof tussen verschillende visies zal er zeker tot bijdragen dat de onderhandelingen constructief zijn.

Het kernwapenvraagstuk is een belangrijke kwestie waarmee de VN al sinds haar oprichting ruim zeventig jaar geleden is geconfronteerd. De complexe problemen rond de komende onderhandelingen over het verbod van kernwapens moeten niet worden onderschat. Maar ik heb er alle vertrouwen in dat, indien staten serieus blijven doorgaan met het aangaan van de dialoog, het mogelijk zal zijn een onomkeerbare kracht in werking te zetten voor een wereld zonder kernwapens.

Een VN-conferentie op hoog niveau over ontwapening zal volgens afspraak niet later dan 2018 worden gehouden. Het aannemen van een verdrag dat kernwapens verbiedt zou betere condities kunnen scheppen voor het starten van een proces van belangrijke vermindering in de huidige voorraden van kernwapens, wat tot hun uiteindelijke afschaffing moet leiden.

Een verklaring van het volk voor een wereld zonder kernwapens

Mijn derde voorstel betreffende het verbieden en afschaffen van kernwapens houdt in dat deelnemers uit alle sectoren van de burgermaatschappij verklaringen afgeven met het oog op de komende onderhandelingen. Met elkaar zouden deze een verklaring van het volk zijn voor een wereld zonder kernwapens en een algemene basis vormen voor een verdrag dat ze verbiedt.

De burgermaatschappij kan een cruciale rol spelen in het verduidelijken en een menselijk gezicht geven aan de belangrijkste problemen voor alle mensen, over nationale grenzen heen, die anders alleen zouden worden aangepakt binnen het kader van nationaal beleid. Dit kan dan weer een aanmoediging zijn voor een gezamenlijke mondiale actie.

Het Russell-Einstein Manifesto, dat op 9 juli 1955 door een groep vooraanstaande wetenschappers in de wereld is gepubliceerd om de gevaren van kernwapens te belichten, heeft een baanbrekend voorbeeld gegeven:

We zullen proberen geen enkel woord te zeggen dat de ene groep meer aanspreekt dan de andere (…)

We doen als mens een beroep op mensen: Denk aan je menselijkheid en vergeet de rest.[lix]

Deze woorden geven al aan dat het Manifesto eerder een uiting is van gedeelde menselijke gevoelens dan van de manier van denken van naties of staten. Op deze manier worden lezers ertoe gebracht kernwapens eerder te zien als een gevaar “voor henzelf en hun kinderen en kleinkinderen”[lx] dan als een gevaar in nationaal opzicht..

Het markante adviesoordeel over de dreiging of het gebruik van kernwapens dat het Internationale Gerechtshof (ICJ) in juli 1996 uitsprak was het resultaat van een indrukwekkende campagne die door de burgermaatschappij is gevoerd in de vorm van het World Court Project. ‘Verklaringen vanuit het algemeen menselijk geweten’, van ongeveer vier miljoen mensen in veertig talen, werden aan het begin van de hoorzittingen aangeboden aan het ICJ.

Het ICJ was van oordeel dat de dreiging of het gebruik van kernwapens over het algemeen onverenigbaar is met internationaal recht en bevestigde duidelijk dat staten een verplichting hebben onderhandelingen na te streven en af te ronden die zullen leiden tot volledige kernontwapening.

Nu zal er, meer dan twee decennia later, spoedig een VN-conferentie worden gehouden voor onderhandelingen over een verdrag dat kernwapens verbiedt. Nu is de tijd gekomen dat de burgermaatschappij een sterke steun uitspreekt voor de conferentie en krachtig genoeg wordt om het verdrag te kunnen sluiten als een vorm van door mensen tot stand gekomen internationale wetgeving.

Deze conferentie kon niet alleen door de diplomatieke inspanningen van landen die zoeken naar een oplossing voor het kernwapenvraagstuk gerealiseerd worden, maar ook door de toegewijde inspanningen van individuen en groeperingen met diverse achtergronden, waaronder hibakusha uit Hiroshima, Nagasaki en de hele wereld, en ook wetenschappers, artsen, rechtsgeleerden, leraren en religieuze mensen.

Individuen en groepen mensen kunnen op veel manieren actie nemen, zoals het uitgeven van verklaringen die deel uitmaken van een oproep van het volk voor een wereld zonder kernwapens of het houden van evenementen van gewone mensen over de grote betekenis van het verdrag om zo meer publieke steun te verkrijgen. Elk van deze acties zal zorgen voor “de deelname en bijdrage van internationale organisaties en vertegenwoordigers van de burgermaatschappij”[lxi], waartoe wordt opgeroepen in de VN-resolutie voor het verplicht stellen van de conferentie, en dient op deze manier als onderbouwing van het uiteindelijke verdrag. Dit zal een steun van onschatbare waarde blijken te zijn die de doelmatigheid en universaliteit van het verdrag verhoogt, doordat het de gevoelens van grote betrokkenheid van het volk concreet maakt, ook in de kernwapenstaten en kernwapenafhankelijke staten.        Er gaan veel stemmen op voor een dergelijke actie. Er zijn bijvoorbeeld meer dan 7.200 steden, in 162 landen en gebieden – waaronder kernwapenstaten en kernwapenafhankelijke staten – lid van Mayors for Peace, een internationale organisatie die oproept tot de volledige afschaffing van kernwapens.

Dit doet me dan weer denken aan de woorden van dr. Pérez Esquivel die eens een bronzen beeld, dat hij zelf had gemaakt, heeft geschonken aan de stad Hiroshima. In onze dialoog benadrukte hij dat “vrede de dynamiek is die de mensheid betekenis en leven geeft”.[lxii]

Kan een veiligheidssysteem dat om het in stand te houden afhankelijk is van kernwapens een dergelijke dynamiek laten zien? Ik ben ervan overtuigd dat het antwoord hierop ‘nee’ is; hiervoor is eerder de vrede nodig die tot stand komt als mensen over alle verschillen heen tot elkaar komen in een gezamenlijke betrokkenheid bij de waardigheid van het leven.

De SGI heeft in 2007 het ‘Decennium van de mensen voor de afschaffing van kernwapens’ uitgeroepen als onderdeel van onze vredesbeweging die haar oorsprong vindt in de verklaring van president Toda van 1957, waarin hij opriep tot het afschaffen van kernwapens.

‘Alles wat voor u van waarde is – voor een wereld zonder kernwapens’, een tentoonstelling die is opgezet in samenwerking met de International Campaign to Abolish Nuclear Weapons (ICAN), is over de hele wereld te bezichtigen geweest. We hebben ook meer dan vijf miljoen handtekeningen opgehaald in 2014 ter ondersteuning van Nuclear Zero, een mondiale campagne die opriep tot serieuze inspanningen voor kernontwapening.

We hebben onder auspiciën van Faith Communities Concerned about the Humanitarian Consequences of Nuclear Weapons deelgenomen aan het opstellen van gemeenschappelijke verklaringen die verleden jaar zijn aangeboden aan de Open-ended Working Group (OEWG) voor kernontwapening en aan het UN General Assembly First Committee, dat gaat over ontwapening en internationale veiligheid.

In augustus 2015 heeft de SGI een International Youth Summit for Nuclear Abolition in Hiroshima mede mogelijk gemaakt. Amplify, een internationaal netwerk van jongeren die zich toeleggen op het afschaffen van kernwapens, is in 2016 opgebouwd om het werk van de topontmoeting te continueren.

Deze zomer zal de SGI Toda’s verklaring van 60 jaar geleden in de prefectuur Kanagawa, waar hij zijn verklaring tegen kernwapens aflegde, een jeugdtop houden voor afzweren van oorlog.

De overtuiging waarop onze inspanningen in het afgelopen decennium waren gebaseerd heeft vorm gekregen in een discussienota die we in mei 2016 hebben aangeboden aan de OEWG en dat als een officieel VN-document is geregistreerd:

[Kernwapens] hollen de betekenis van menselijk leven uit en vormen een belemmering om vol hoop naar de toekomst te kunnen kijken (…). De kern van het kernwapenvraagstuk is de radicale ontkenning van anderen, van hun menselijkheid en hun gelijke rechten op geluk en leven (…). De uitdaging van kernontwapening is niet iets wat alleen de kernwapenstaten aangaat; het moet een echt mondiale onderneming voor alle landen zijn, die de burgermaatschappij er volledig bij betrekt.[lxiii]

Om ervoor te zorgen dat de VN-onderhandelingen die in maart van start gaan een forum worden voor een dergelijke echt mondiale onderneming, zijn we vastbesloten onze uiterste best te doen en samen te werken met gelijkgestemde individuen en groeperingen en zo de stemmen van de burgermaatschappij te bundelen en te versterken.

Weer hoop geven in het leven van vluchtelingen

Het tweede prioriteitsgebied waarop ik me wil richten is de noodzaak om hulpprogramma’s toe te passen die specifiek zijn ontworpen om vluchtelingen de kans te geven op een leven vol hoop.

Men schat dat het aantal mensen dat gedwongen was hun huis te verlaten door een gewapend conflict of angst voor vervolging snel is toegenomen, tot ongeveer 65,3 miljoen[lxiv]. Vooral nu de burgeroorlog in Syrië het zesde jaar is ingegaan is de daaruit ontstane humanitaire crisis bijzonder ernstig geworden. Tot op de dag van vandaag zijn er meer dan 300.000 Syriërs gedood en is meer dan de helft van de bevolking door angst en gebrek ontheemd geraakt; zo’n 4,8 miljoen mensen zijn het land ontvlucht om een veilig toevluchtsoord te zoeken.[lxv]

Secretaris-generaal van de VN António Guterres zei na zijn officiële benoeming in de Algemene Vergadering in oktober 2016 dat, nu hij in functie was, zijn eerste prioriteit zou liggen bij vrede. Hij merkte op dat “een verhoogde diplomatie voor vrede de beste manier is om (…) ons te helpen menselijk lijden, hoe groot of klein ook, te beperken”.[lxvi]

Op 30 december van verleden jaar is een akkoord voor een staakt-het-vuren gesloten en de VN-Veiligheidsraad heeft een resolutie aangenomen ter ondersteuning van de wapenstilstand en alle partijen opgeroepen zich eraan te houden. Maar het is nog te vroeg om te kunnen zeggen of de burgeroorlog beëindigd kan worden.

Er staan nieuwe vredesbesprekingen gepland voor februari onder de auspiciën van de VN. Ik hoop vurig dat, onder het leiderschap van secretaris-generaal Guterres, die jaren lang de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN was, de internationale organisatie en betrokken landen samen een oplossing zullen uitwerken om het conflict zo snel mogelijk tot een einde te brengen.

Parallel aan deze diplomatieke inspanningen ziet meneer Guterres als een andere dringende zaak die prioriteit moet krijgen dat alle landen “volledig solidair moeten zijn met mensen die dergelijke afschuwelijke conflicten ontvluchten en bescherming nodig hebben”.[lxvii]

Die solidariteit was verleden jaar in mei een centraal punt van aandacht op de World Humanitarian Summit in Istanbul, Turkije. Zoals tijdens de openingsceremonie is toegelicht, is het van cruciaal belang dat we proberen ons in de plaats te stellen van mensen van wie het leven abrupt is verstoord door een conflict en die zich, dag na dag, voor onmogelijke keuzes geplaatst zien: Onder de voortdurende dreiging van luchtaanvallen, verkies je dan te blijven waar je bent of vlucht je weg voor het gevaar en neem je je familie over grote afstanden mee op zoek naar een toevluchtsoord? Ga je, je bewust van het mogelijk dodelijk gevaar dat ligt in een poging om de zee over te steken, je vastklampend aan het kleinste sprankje hoop op een beter leven, op zoek naar een boot of blijf je waar je bent? Als je kinderen ziek worden tijdens jullie vlucht, gebruik je dan het weinige geld dat je hebt voor medicijnen of voor voedsel voor de hele familie?

We moeten bedenken dat deze mensen, die onder afschuwelijke omstandigheden in de grootste onzekerheid leven, onze medemensen zijn, niet anders dan wij. Het is alleen zo dat zij in andere landen zijn geboren en een andere achtergrond en levensverhaal hebben.

Op de topontmoeting die een groot aantal deelnemers bijeenbracht vanuit alle sectoren, waaronder de burgermaatschappij, is het belang vastgesteld van het op een gecoördineerde en allesomvattende manier nastreven van humanitaire- en ontwikkelingsagenda’s, naast het vergroten van de veerkracht van de vluchtelingen- en gastgemeenschappen.

Het vergroten van de veerkracht is een centraal punt in de tentoonstelling ‘Het terugbrengen van onze menselijkheid’, die voor de top in Istanbul is opgezet en daar voor het eerst te zien was. Door deze tentoonstelling mede te organiseren heeft de SGI geprobeerd de boodschap over te brengen dat het versterken van de veerkracht een belangrijk onderdeel is in de inspanning een wereld op te bouwen waarin niemand aan zijn lot wordt overgelaten.

Als een manier om dat doel te bereiken zou ik willen voorstellen dat de Verenigde Naties het initiatief nemen in het ontwikkelen van een nieuw hulpstelsel, een organisatie voor het oplossen van humanitaire problemen en het beschermen van de menselijke waardigheid. Dit zou de mogelijkheid scheppen voor mensen die door geweld ontheemd zijn geraakt, om zich op die terreinen in te zetten die bijdragen aan het vergroten van de veerkracht en het bevorderen van het bereiken van de SDG’s in gastgemeenschappen.

Het meest recente overzicht laat zien dat 86 procent van de vluchtelingen die steun krijgen van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR), onderdak krijgen in ontwikkelingslanden die vlakbij de conflictzones liggen.[lxviii] Deze landen, die al te maken hebben met allerlei SDG-gerelateerde problemen zoals armoede, gezondheid en sanitaire voorzieningen, zien zich nu geplaatst voor het probleem van de toevloed van vluchtelingen. Op de Humanitaire Top van verleden jaar is al vastgesteld dat hier het geven van volledige ondersteuning nodig is op het gebied van ontwikkelings- en humanitaire hulp.

Een project dat het United Nations Development Programme (UNDP) in Ethiopië uitvoert, blijkt een goed voorbeeld te zijn. Sinds verleden jaar heeft Ethiopië, dat meer dan 730.000 oorlogsslachtoffers van buurlanden heeft opgenomen, te lijden onder de ergste droogte in meer dan dertig jaar.[lxix] Terwijl het project bijdraagt aan de verbetering van het lokale beheer van natuurlijke hulpbronnen en de renovatie van de infrastructuur in de gemeenschap ondersteunt, heeft het er ook toe geleid dat spanningen tussen vluchtelingen en de plaatselijke bevolking zijn verminderd door inspanningen ter bevordering van een vredig naast elkaar bestaan.

Aangezien we worden geconfronteerd met de schijnbaar eindeloze toename van de omvang van vluchtelingenpopulaties, is het duidelijk dat de stabiliteit en de ontwikkeling van gastgemeenschappen van essentieel belang is als ontheemden enige stabiliteit in hun leven willen kennen.

Wat de aanpak van SDG-gerelateerde problemen betreft, hebben ontwikkelde en ontwikkelingslanden veel gemeen. In beide gevallen zullen inspanningen voor het bevorderen van duurzame landbouw en het voorkomen van voedseltekorten, het realiseren van een infrastructuur voor duurzame energie en dienstverlening op het gebied van de gezondheidszorg en sanitaire voorzieningen nieuwe werkgelegenheidsmogelijkheden scheppen voor heel veel mensen.

Verleden jaar heeft algemeen directeur Guy Ryder van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) een oproep gedaan voor een ‘New Deal’ voor vluchtelingen waarin hij nogmaals de nadruk legde op het belang van het scheppen van werkgelegenheidsmogelijkheden voor gedwongen ontheemde personen.[lxx] Dit zou de opzet kunnen zijn voor het bundelen van humanitaire en ontwikkelingsinitiatieven, waarbij de VN en lidstaten actief samenwerken in het opzetten van programma’s voor beroepsopleidingen en het ontwikkelen van vaardigheden, die verband houden met de SDG’s voor vluchtelingen en asielzoekers.

Werk is natuurlijk een cruciaal middel om in je levensonderhoud te kunnen voorzien; tegelijkertijd geeft het betekenis aan je leven en is het een inspanning om een positief bewijs achter te laten van je bestaan in de maatschappij.

De voormalige voorzitter van de Sydney Peace Foundation, dr. Stuart Rees, met wie ik onlangs een dialoog heb gepubliceerd, brengt naar voren dat het verzekeren van werkgelegenheid een vereiste is voor het creëren van sociale gerechtigheid. In onze dialoog sprak hij zijn overtuiging uit dat, wanneer steeds meer mensen hun werk kwijtraken, hun “het diepe, menselijke gevoel van eigenwaarde wordt ontzegd dat het werk hun geeft; ofwel in de zin van je eigen brood kunnen verdienen, met de voldoening dat je iets hebt bereikt, of door een bijdrage te kunnen leveren aan de maatschappij”[lxxi]. Verder zei hij dat dit een fundamentele bedreiging van de menselijke waardigheid vormt.

In onze discussie hebben we de invloed van de New Deal-programma’s nog eens bekeken, die president Franklin D. Roosevelt (1882-1945) van de VS heeft opgezet om een antwoord te bieden op de enorme werkeloosheid die het gevolg was van de Grote Depressie, die in 1929 is begonnen. Onder dit New Deal-programma is, naast het bouwen van dammen en andere infrastructuurprojecten, het Civilian Conservation Corps opgericht om nationale parken en bossen te onderhouden en te verbeteren. Meer dan drie miljoen jonge mensen hebben aan dit programma meegedaan en er zijn meer dan twee miljard bomen geplant. Door deze activiteiten konden deelnemers hun zelfrespect hervinden en het gevoel dat ze nuttig waren en een bijdrage konden leveren aan andere mensen en de maatschappij. Daarbij blijven deze nationale parken en bossen tot op de dag van vandaag zorgen voor het behoud van biologische diversiteit en ecologische integriteit, en hebben ze een belangrijke functie in het opnemen van broeikasgassen.

Door van dergelijke succesvolle voorbeelden te leren, denk ik dat het nu tijd is om een structuur op te zetten voor het vergroten van de werkgelegenheidsmogelijkheden voor vluchtelingen, wat ook bijdraagt aan concrete vorderingen in het bereiken van de SDG’s.

Aangezien ze grote problemen en lijden hebben ondergaan, moeten gedwongen ontheemden de capaciteit hebben ontwikkeld om zich in te kunnen leven in anderen en hen aan te kunnen moedigen onder allerlei ongunstige en moeilijke omstandigheden. Doordat ze de kans krijgen actief bezig te zijn met activiteiten die SDG-projecten bevorderen in de landen die hen hebben opgenomen, zullen vluchtelingen kunnen bijdragen aan herstelwerkzaamheden in hun land van oorsprong, als ze na het einde van een gewapend conflict weer naar huis kunnen terugkeren.

Op de VN-Top voor vluchtelingen en migranten van september verleden jaar werd verklaard dat mondiale verdragen over vluchtelingen en migranten in 2018 moeten worden aangenomen. Zonder een oplossing voor het vluchtelingenprobleem, een humanitaire crisis van de ergste omvang in de geschiedenis, zullen wereldvrede en stabiliteit onbereikbaar blijven, net zoals echte vooruitgang in het bereiken van de SDG’s met hun visie van een wereld waarin niemand aan zijn lot wordt overgelaten.

De Japanse regering heeft financiële steun gegeven aan het UNDP-project in Ethiopië, waar ik het eerder over had en daarom zou het goed zijn als Japan spoed zou zetten achter het ondersteunen van activiteiten die humanitaire en ontwikkelingsgebieden omvatten, wat de VN ook bepleit.

Op de Leaders’ Summit on the Global Refugee Crisis waar president Barack Obama van de VS gastheer was op de dag na de VN-Top van verleden jaar september, heeft de Japanse regering de toezegging gedaan om voor educatieve hulp en beroepsopleidingen te zorgen voor ongeveer een miljoen mensen die het slachtoffer zijn van een conflict. Verder zal Japan tot 150 Syrische studenten opnemen in de komende vijf jaar. Ik hoop oprecht dat Japan, binnen het kader van deze hulpactiviteiten, de leiding zal nemen in het bevorderen van een partnerschap voor het geven van humanitaire hulp en het beschermen van de menselijke waardigheid. En ik zou nogmaals willen zeggen dat een manier om dergelijke initiatieven mogelijk te maken, het aan gedwongen ontheemden geven van mogelijkheden voor het verwerven van technische vaardigheden en werktraining is, in samenhang met de SDG’s.

In dit opzicht zou ik een oproep willen doen voor meer ondersteuning van programma’s waarin de VN en universiteiten in de wereld samenwerken in het creëren van onderwijsmogelijkheden voor jonge vluchtelingen.

Het VN Academic Impact, dat zeven jaar geleden is opgezet met als doel het koppelen van werelduniversiteiten aan de VN, is nu uitgegroeid tot een gevestigd netwerk van meer dan 1000 instellingen voor hoger onderwijs in meer dan 120 landen. Gezamenlijk onderzoeken deze universiteiten vraagstukken betreffende bijna het gehele spectrum van mondiale belangen en ze vormen een belangrijke hulpbron die gebruikt kan worden voor het welzijn van de mensheid.

De activiteiten van Toynbee Hall met hulp aan mensen die lijden onder armoede en de educatieve activiteiten van Hull House die erop waren gericht om verarmde immigranten hun waardigheid terug te geven – waar ik al eerder naar verwees – werden door de leden van universiteitsgemeenschappen gedaan.

Uit deze voorbeelden blijkt dat universiteiten de mogelijkheden hebben om als een veilige haven van hoop en veiligheid in de maatschappij te fungeren. In dat opzicht is het van diepe betekenis dat universiteiten en hogescholen over de hele wereld een bijdrage leveren aan het oplossen van mondiale problemen door middel van hun onderzoekswerk. Ze zouden nog meer kunnen bijdragen door het geven van uitgebreide educatieve mogelijkheden voor jonge vluchtelingen, bijvoorbeeld door middel van deeltijdstudies en afstandsleren.

De Soka Universiteit in Japan heeft zich verleden jaar in mei aangesloten bij het UNHCR Refugee Higher Education Program. Als stichter van deze universiteit ben ik er blij om dat ik ter verwelkoming de hand kan reiken aan de mensen die daaraan deel zullen nemen, te beginnen met het academische jaar 2017.

Yusra Mardini, een Syrische zwemster en lid van het Vluchtelingen Olympisch Team dat deel heeft genomen aan de Olympische Spelen in Rio de Janeiro, sprak de volgende bemoedigende woorden tot haar medevluchtelingen:

Ik wil alle vluchtelingen vertegenwoordigen, omdat ik iedereen wil laten zien dat na de pijn, na de storm, rustige dagen komen (…). Ik wil dat niemand zijn dromen opgeeft en doet wat hij in zijn hart voelt.[lxxii]

Voor mensen die van huis en haard zijn verdreven door conflicten en in een onbekende omgeving verblijven zijn betekenisvol werk en onderwijs een middel om weer een gevoel van menselijke waardigheid te krijgen, hoop voor de toekomst en een doel in het leven.

Daarom denk ik dat het van het grootste belang is dat specifieke maatregelen voor het verzekeren van werk- en onderwijsmogelijkheden voor ontheemden worden opgenomen in de mondiale verdragen van de VN over vluchtelingen en migranten. Uiteindelijk hangt de oplossing van de vluchtelingencrisis af van ons vermogen om gedwongen ontheemden weer een gevoel van veiligheid, hoop en waardigheid te geven.

Mensenrechteneducatie

Het derde prioriteitsgebied waarop ik me wil richten is het creëren van een cultuur van mensenrechten.

Naast aanhoudende gewapende conflicten en burgeroorlog is een andere ernstige bedreiging waarvoor de wereldgemeenschap zich nu geplaatst ziet het veelvuldig voorkomen van terroristische aanvallen en de opkomst van gewelddadig extremisme. Er zijn veel te veel gevallen waarin jonge mensen, die worstelen met de zin van het leven en wie alle hoop op een toekomst is ontnomen, verlokt worden tot gewelddadig extremisme.

Verleden jaar september was het Toda Instituut voor Wereldvrede en Beleidsonderzoek cosponsor van een tweedaagse conferentie op de Eastern Mennonite University in Virginia waar gesprekken werden gevoerd over manieren om het verspreiden van gewelddadig extremisme te voorkomen.

Terwijl een steeds groter aantal staten het idee aanhangt dat strafmaatregelen de meest doeltreffende manier zijn om geweld te voorkomen, onderzochten deelnemers het feitelijke effect van deze benadering en verwante kwesties door middel van een analyse van casestudies in verschillende gebieden in de wereld. Verder onderzochten ze manieren voor het bevorderen van vredesinspanningen in gebieden waar voortdurend spanningen zijn.

De vergadering concentreerde zich verder op het vaststellen van factoren die aanzetten tot gewelddadig extremisme en ook op manieren om dit te voorkomen, vooral het belang van uitgebreide inspanningen die aanmoedigen tot verschillende manieren om problemen en verschillen aan te pakken zonder een toevlucht te nemen tot geweld.

Ik geloof dat het bevorderen van mensenrechteneducatie hierin een sleutelrol kan vervullen.

Verleden jaar was het vijf jaar geleden dat de VN-Verklaring over Mensenrechteneducatie en Training werd aangenomen. De SGI heeft als een organisatie van de burgermaatschappij deze belangrijke VN-Verklaring, waarin VN-lidstaten voor het eerst overeenstemming bereikten over internationale regels voor mensenrechteneducatie, vanaf de ontwerpfase gesteund.

Ter gelegenheid van dit vijfjarig bestaan is in september een intergouvernementele forumdiscussie gehouden tijdens de zitting van de Raad voor de Mensenrechten, en daarbij waren afgevaardigden van de SGI aanwezig. In haar opmerkingen gaf Deputy High Commissioner for Human Rights Kate Gilmore aan dat, ook al hebben we gezien hoe haat en geweld zich over delen van de wereld hebben verspreid, we ook getuige waren van het lanceren van initiatieven voor mensenrechteneducatie die mensen inspireren tot positieve acties. Ze zei ook:

Mensenrechteneducatie voedt onze gemeenschappelijke menselijkheid over onze individuele verschillen heen. Ze is geen “extra optie” of alleen maar een andere routinematige verplichting. Ze leert ons belangrijke lessen.[lxxiii]

Deze woorden benadrukken de ware betekenis van mensenrechteneducatie.

Op deze bijeenkomst werden voorbeelden gegeven van de invloed van mensenrechteneducatie, zoals de enorme verandering in een jong schoolmeisje. Door een mensenrechteneducatie-programma op haar school ging ze diep nadenken over de aard van haar eigen waardigheid. Door dit besef van haar innerlijke waarde kon ze kracht en vertrouwen vinden in de toekomst, en leren om haar omstandigheden het hoofd te bieden. Ze was totaal veranderd; nu ze geen slachtoffer meer was voelde ze zich gedwongen de mensenrechten van anderen te verdedigen.

Mevr. Gilmore gaf het verhaal van het jonge meisje als een voorbeeld van de “buitengewone kracht van mensenrechtenbewustzijn” en benadrukte dat “educatie die de verandering versnelt”.[lxxiv] Het is zeker een bewijs van de onmetelijke kracht en mogelijkheden van mensenrechteneducatie.

Om een dergelijke kettingreactie van een positieve verandering op gang te brengen zou ik inspanningen willen aanmoedigen voor het aannemen van een verdrag over mensenrechteneducatie en training op basis van de Verklaring, een verdrag dat maatregelen die toepassing daarvan moeten garanderen, versterkt.

Volgend jaar is het zeventig jaar geleden dat de Universele Verklaring van de Mensenrechten (UDHR) is aangenomen. Ik zou willen voorstellen dat die gelegenheid gekenmerkt wordt door het houden van een forumdiscussie van de VN en de burgermaatschappij over mensenrechteneducatie, waarin de resultaten die tot dan toe zijn behaald worden bekeken, en dat intensiever overleg wordt gevoerd over het aannemen van een dergelijk verdrag.

Naar schatting zijn er op dit moment 1,8 miljard jonge mensen in de leeftijd van tien tot vierentwintig op de wereld.[lxxv] Als deze jonge mensen in plaats van hun toevlucht te nemen tot conflict en geweld de kernwaardes van mensenrechten gaan hooghouden en beschermen, ben ik er heel zeker van dat een weg naar “een pluralistische en inclusieve samenleving”[lxxvi] – zoals verwoord in de United Nations Declaration on Human Rights Education and Training – kan worden gebaand.

Mensenrechteneducatie kan de drijfveer worden om dit te bereiken. Als staten een dergelijke educatie consequent en duurzaam willen bevorderen, moeten er wettelijke kaders en onderwijsprogramma’s worden opgesteld. Er zal dan ook behoefte zijn aan een werkwijze voor het periodiek controleren en herzien van deze stelsels.

Dit is een van de punten die de SGI – namens Human Rights Education 2020 (HRE 2020), een mondiale coalitie van organisaties uit de burgermaatschappij – heeft benadrukt tijdens de intergouvernementele forumdiscussie waar ik eerder over sprak.

Internationale inspanningen voor het garanderen van mensenrechten, die putten uit bronnen in de UDHR, waren aanvankelijk gericht op een standaardkader, waarin de rechten op bescherming waren vastgesteld en vervolgens toegang werd gegeven tot rechtshulp in geval van schendingen van de rechten. Tegenwoordig is de aandacht verschoven naar het in de maatschappij vestigen en stevig verankeren van een cultuur van mensenrechten, nu er onderlinge acceptatie is van diversiteit en gezamenlijk wordt gewerkt aan het beschermen van de waardigheid van iedereen.

De SGI heeft in samenwerking met VN-agentschappen en andere partnerorganisaties een nieuwe tentoonstelling over mensenrechteneducatie opgezet, die aan het eind van februari van start zal gaan, tegelijk met het bijeenkomen van de Raad voor de Mensenrechten. Met dergelijke initiatieven hopen we de burgermaatschappij te inspireren tot een nieuwe betrokkenheid bij het opwekken van een voortdurend groeiende solidariteit op het gebied van een cultuur van mensenrechten. En verder hopen we, in samenwerking met andere ngo’s, dat we de wereldopinie kunnen bewegen tot het aannemen van een wettelijk bindend verdrag over mensenrechteneducatie en -training.

Gendergelijkheid

Het laatste thema dat ik wil bespreken is het belang van gendergelijkheid, iets dat sterk is verweven met het creëren van een cultuur van mensenrechten. Gendergelijkheid betekent de verzekering van gelijke rechten, verantwoordelijkheden en mogelijkheden voor vrouwen en mannen en meisjes en jongens, zonder discriminatie.

Het doel is, zoals UN Women ook benadrukt, het creëren van een samenleving waarin de belangen, behoeften en prioriteiten van zowel vrouwen als mannen de nodige aandacht krijgen en de diversiteit van verschillende groepen wordt erkend. Een van de SDG’s is het realiseren van gendergelijkheid overal ter wereld en het uitroeien van elke vorm van discriminatie rond het jaar 2030.

Een recordaantal van meer dan 80 regeringsministers en 4.100 vertegenwoordigers van de internationale burgermaatschappij heeft verleden jaar de zitting van de UN Commission on the Status of Women (CSW60) bijgewoond, die van 14 tot 24 maart is gehouden, wat nog meer bewees dat het belang van deze taak steeds vaker wordt ingezien. Naast deelname aan de zittingen heeft de SGI een nevenevenement gehouden met het thema ‘Vrouwenleiderschap baant de weg naar het bereiken van de SDG’s’.

Op dit evenement is opnieuw bevestigd dat genderongelijkheid een groot humanitair mensenrechtenprobleem vormt en dat vooruitgang op dit gebied zal bijdragen aan het bereiken van alle andere SDG’s.

Gendergelijkheid kan een belangrijke rol spelen in de Nexus Approach, waar ik het eerder over had, voor het op een integrale manier bevorderen van alle SDG’s.

De erkenning van het belang van gendergelijkheid door wereldregeringen gaat op z’n minst terug tot de 1995 Fourth World Conference on Women in Beijing. Een ander keerpunt was het aannemen van Resolutie 1325 over vrouwen en vrede en veiligheid door de VN-Veiligheidsraad in oktober 2000. Deze resolutie dringt aan op gelijke deelname en volledige betrokkenheid van vrouwen in alle aspecten van het bewaren en bevorderen van vrede en veiligheid en roept op tot het nemen van concrete maatregelen hiertoe.

De voormalige algemeen ondersecretaris van de VN, Anwarul K. Chowdhury, die een centrale rol vervulde in het aannemen van Resolutie 1325, vertelde me tijdens onze dialoog over de “ideologische en politieke doorbraak”[lxxvii] die dit mogelijk maakte.

Hij legde uit dat deze doorbraak tot stand kwam in de vorm van een verklaring die de VN-Veiligheidsraad op 8 maart 2000, internationale vrouwendag, bekend maakte. In de verklaring stond dat er een onlosmakelijke verband bestaat tussen vrede en gendergelijkheid, wat de indruk dat vrouwen hulpeloze slachtoffers zijn van oorlogen en conflicten verandert in de erkenning dat ze “van cruciaal belang zijn voor het behouden en bevorderen van vrede en veiligheid”.[lxxviii] Deze rolverandering leidde tot het aannemen van Resolutie 1325 en opende zo een zekere weg naar grotere participatie van vrouwen in het vredesproces.

In een terugblik in een rapport van oktober 2015 op de stand van zaken betreffende het implementeren van de resolutie kwam men tot de conclusie dat de deelname van vrouwen de kans op succes en duurzaamheid van vredesprocessen vergroot. Daarin was ook aandacht voor de sleutelrol van vrouwen in het winnen van het vertrouwen van de plaatselijke bevolking gedurende vredesactiviteiten van de VN.

Regeringen zijn begonnen met het ontwikkelen en toepassen van beleidsvormen voor het bereiken van het gendergelijkheidsdoel van de SDG’s. Het is belangrijk nu terug te denken aan de ideologische doorbraak die in eerste instantie tot het aannemen van Resolutie 1325 leidde: of anders gezegd, om nieuwe samenlevingen te vormen op basis van de erkenning dat vrouwen geen hulpeloze slachtoffers zijn maar dat hun kracht en bijdrage van het grootste belang zijn.

In dit opzicht zei dr. Sarah Wider, voormalig voorzitter van de Ralph Waldo Emerson Society en geleerde op het gebied van vrouwenstudies, tijdens een van onze gesprekken het volgende tegen me:

Niemand moet zich minder belangrijk voelen dan anderen. We moeten allemaal bij elkaar zitten, luisteren, praten en de bijdrage die iedere persoon kan geven, waarderen.[lxxix]

In een recent onderzoek is de bijdrage belicht van een groep vrouwelijk afgevaardigden op de conferentie van 1945 in San Francisco, toen het VN-Handvest werd opgesteld; deze bijdrage bestond uit het opnemen van “gelijke rechten van mannen en vrouwen” in de Preambule.[lxxx]

Veel deelnemers aan de conferentie deden een oproep voor het opnemen van duidelijke voorwaarden wat betreft de mensenrechten. Maar een aantal vrouwen uit landen in Latijns-Amerika vestigde op de conferentie de aandacht op de ontoereikendheid van de verwijzing naar “gelijke rechten voor individuen”, de woorden die aanvankelijk in het ontwerpproces werden gebruikt.

Ze hadden daar succes mee, niet alleen met het vastleggen van gelijke rechten van vrouwen en mannen in de Preambule, maar ook met het gebruik van woorden die respect voor mensenrechten bevorderen en aanmoedigen en geen enkel onderscheid te maken op het gebied van sekse (Artikel 1), en gelijke kansen voor mannen en vrouwen om deel te nemen aan alle organen binnen de VN (Artikel 8).

Dit doet me denken aan een verhaal uit de Lotus Soetra. De soetra, die leert over de hoogste waardigheid en waarde van alle mensen, gebruikt als toelichting het concrete voorbeeld van een jonge vrouw die haar aangeboren waardigheid ten volle laat zien.

Nadat Shakyamuni klaar is met het uitleggen van het beginsel dat alle mensen een onvergelijkbare innerlijke waarde bezitten, maakt bodhisattva Verzamelde Wijsheid, die het idee had dat deze belangrijke les voorbij is, aanstalten om naar huis terug te keren. Maar Shakyamuni vraagt hem nog te blijven om over de leerstellingen die hij heeft gehoord te discussiëren met een bodhisattva die Manjushri heet.

Aan Verzamelde Wijsheid vertelt Manjushri dat de achtjarige dochter van de drakenkoning een levensstaat van de hoogste waardigheid (verlichting) had laten zien en vervuld was van een diepe compassie voor andere mensen. Verzamelde Wijsheid kon dit onmogelijk geloven. Op dat moment verschijnt de dochter van de drakenkoning voor hem. Bij het zien van het jonge drakenmeisje is het Shakyamuni’s leerling Shariputra die als volgt zijn twijfels uit.

Het drakenmeisje pakt een juweel dat, naar een uitleg van de soetra, het bewijs is van deze levensstaat van hoogste waardigheid en biedt het Shakyamuni aan. Dan draait ze zich om en spoort Shariputra aan om de ware voortreffelijkheid van haar leven te zien. Toen ze zagen hoe zij zich wijdde aan het helpen van anderen, waren Verzamelde Wijsheid en Shariputra er eindelijk van overtuigd dat de woorden van Manjushri inderdaad waar waren.

Ik denk dat dit verhaal laat zien dat een louter abstract begrip niet kan leiden tot het besef van de waardigheid en waarde van alle mensen.

Nichiren merkt het volgende op over de aansporing van het drakenmeisje aan Shariputra om haar verlichting te zien:

Wanneer het drakenmeisje zegt: “Kijk hoe ik boeddhaschap bereik”, denkt Shariputra dat ze alleen naar haar eigen bereiken van boeddhaschap verwijst, maar dat is een vergissing. Ze wijst hem terecht met de woorden: “Kijk hoe iemand boeddhaschap bereikt.”[lxxxi]

Op deze manier benadrukt Nichiren de onscheidbare band tussen het drakenmeisje dat zich bewust is van de volle waardigheid van haar leven en Shariputra die hetzelfde doet. Door de hoogste waardigheid en waarde van het drakenmeisje, dat alle vrouwen vertegenwoordigt, te erkennen en gaan respecteren, wordt Shariputra, die alle mannen vertegenwoordigt, zich bewust van de volle omvang van zijn innerlijke waardigheid.

Dit concrete beeld van de aangeboren waardigheid van vrouwen geeft het beginsel van de waardigheid van alle mensen inhoud en bevestigt de echtheid ervan. Op dezelfde manier heeft het feit dat de rechten van vrouwen in het Handvest zijn opgenomen het mogelijk gemaakt dat de gedachte achter de mensenrechten op een bijzonder heldere manier vorm heeft gekregen in de VN.

Ik ben er zeker van dat de groep vrouwen die zich op de conferentie van San Francisco in 1945 uitspraken, handelden vanuit de overtuiging dat het opbouwen van een samenleving die de rechten van alle mensen echt hooghoudt, alleen mogelijk is als vrouwenrechten expliciet erkend worden.

UN Women heeft de aanzet gegeven tot de HeForShe Movement, een mondiale actie om mannen en jongens te betrekken bij de strijd voor het bereiken van gendergelijkheid. Het is onaanvaardbaar dat iemand zijn rechten en vrijheden worden ontzegd en we moeten eraan werken om te garanderen dat alle mensen in al hun diversiteit vrijelijk van hun rechten kunnen genieten.

Het doel van gendergelijkheid is het openen van de weg voor alle mensen, van welke geaardheid ook, om het licht van hun innerlijke waardigheid en menselijkheid te laten schijnen op een manier die past bij hun eigen unieke zelf.

De SGI, met jongeren die centraal staan in onze organisatie, zal er verder naar streven om de solidariteit te vergroten van mensen die zich samen inzetten voor de zaak van het creëren van een cultuur van mensenrechten. Door de bel van hoop te luiden voor de mensheid, zullen we blijven werken aan het opbouwen van een samenleving waarin niemand aan zijn lot wordt overgelaten.


Eindnoten

[i]  UN General Assembly, ‘Transforming Our World’, 1.

[ii]  Toda, ‘Declaration Calling for the Abolition of Nuclear Weapons’.

[iii]  UN General Assembly, ‘Transforming Our World’, 12.

[iv]  UN News Centre “Interview”.

[v]  Norman, vert., Theragãthã, 65.

[vi] Vert. van Jaspers, Die grossen Philosophen, 142.

[vii] Müller, vert., The Sutta-nipata, 1:11:1.

[viii]  Vert. van Nakamura, Genshi butten o yomu, 273.

[ix] Chalmers, vert., Buddha’s Teachings, 109.

[x] Thurman, vert., Vimalakirti Nirdesa Sutra, 70.

[xi] Watson, vert., The Vilimakirti Sutra, 65.

[xii] Idem, 59.

[xiii] Watson, vert. The Lotus Sutra, 154.

[xiv] Watson, vert., The Lotus Sutra, 180.

[xv] Nichiren, The Record of the Orally Transmitted Teachings, 72.

[xvi] Ikeda, A Forum for Peace, 195.

[xvii] Vert. van Ikeda en Esquivel, La fuerza de la esperanza, 30.

[xviii] Idem, 80.

[xix] UNHCR,‘These 10 Refugees Will Compete at the 2016 Olympics in Rio’.

[xx] UN Department of Public Information, ‘244 Million International Migrants Living Abroad Worldwide’

[xxi] Inter Action Council, ‘Global Ethics’, vergadering onder voorzitterschap van Z.E dr. Franz Vranitzky.

[xxii] Vert. van Ikeda, Sekai no shidosha to kataru, 72

[xxiii] Idem, 67.

[xxiv] Kato, Buaitsuzekka, 59.

[xxv] Sen, The Idea of Justice, XV.

[xxvi] Idem, 20.

[xxvii] Idem, 76.

[xxviii] Idem.

[xxix] Toynbee, Acquaintances, 248-49.

[xxx] Reutter en Rüffer, Peace Women, 49.

[xxxi] Judson, Jien Adamusu no shogai, 4.

[xxxii] Judson, City Neighbor, 80.

[xxxiii] Ikeda en Wahid, The Wisdom of Tolerance, 105.

[xxxiv] Idem, 20.

[xxxv] United Nations Millennium Campaign, ‘We the Peoples’, 4-13.

[xxxvi] UN General Assembly, ‘Transforming Our World’, 12.

[xxxvii] Idem, 5.

[xxxviii] Watson, vert., The Lotus Sutra, 328.

[xxxix] Nichiren, The Record of the Orally Transmitted Teachings, 174.

[xl] Arendt, Men in Dark Times, 73-74.

[xli] Arendt, Essays in Understanding, 23.

[xlii] UN Women, ‘From Where I Stand: Eisha Mohammed’

[xliii] Nabarro, ‘On Youth Boosting the Promotion and Implementation of the Sustainable Development Goals’.

[xliv] SIPRI Yearbook 2016.

[xlv] UN General Assembly, ‘Taking Forward Multilateral Nuclear Disarmament Negotiations’, 2.

[xlvi] SIPRI Yearbook 2016.

[xlvii] Perry, ‘My Personal Journey at the Nuclear Brink’.

[xlviii] Toda, ‘Declaration Calling for the Abolition of Nuclear Weapons’.

[xlix] Oppenheimer, ‘Atomic Weapons and American Policy’, 529.

[l] Toda, ‘Declaration Calling for the Abolition of Nuclear Weapons’.

[li] Wilson, Five Myths About Nuclear Weapons, 96.

[lii] Vert. van Nakamura, Buddha no kotoba, 203.

[liii]  Hoffman, The Dead Hand, 152.

[liv]  UN General Assemblee, ‘Taking Forward Multilateral Nuclear Disarmament Negotiations’, 3-4.

[lv]  NPDI, ‘Joint Statement’, 7.

[lvi] MOFA, ‘G7 Foreign Ministers’ Hiroshima Declaration’, 2.

[lvii] Obama, ‘Remarks by President Obama and Prime Minister Abe of Japan at Hiroshima Peace Memorial’.

[lviii] UN General Assembly, ‘Treaty on the Non Proliferation of Nuclear Weapons’, 5.

[lix]  Pugwash, ‘The Russell-Einstein Manifesto’ .

[lx] Idem.

[lxi] VN General Assembly, ‘Taking Forward Multilateral Nuclear Disarmament Negotiations’, 4.

[lxii] Vert. van Ikeda en Esquivel, La fuerza de la esperanza, 198.

[lxiii]  UN General Assembly, ‘Nuclear Weapons and Human Security’, 2-3.

[lxiv]  UNHCR, ‘Global Trends: Forced Displacement in 2015’, 2.

[lxv] UN, “Joint United Nations Statement on Syria’.

[lxvi] UN News Centre, ‘Interview’.

[lxvii] Idem.

[lxviii] UNHCR, ‘Global Trends: Forced Displacement in 2015’, 2.

[lxix] UNDP, ‘Building Resilience of Refugee Hosting Communities’.

[lxx] ILO, ‘Global Migration Crisis’.

[lxxi] Vert. van Ikeda en Rees, Heiwa no tetsugaku to shigokoro o kataru, 285. Zie ook Rees, Rodley en Stilwell, Beyond the Market: Alternatives to Economic Rationalism, 222.

[lxxii] UNHCR, ‘Syrian Refugee Eyes Rio Olympics’.

[lxxiii] OHCHR, ‘Opening Statement by Kate Gilmore’.

[lxxiv] Idem.

[lxxv] UNFPA, ‘The Power of 1.8 Billion’, ii.

[lxxvi] UN General Assembly, ‘United Nations Declaration on Human Rights Education and Training’, 3.

[lxxvii] Vert. van Ikeda en Chowdhury, Atarashiki chikyu shakai no sozo e, 335.

[lxxviii] UN Security Council, ‘Peace Inextricably Linked with Equality between Women and Men’.

[lxxix] Ikeda en Wider, The Art of True Relations, 63.

[lxxx] Associated Press, ‘Researchers: Latin American Women Got Women into UN Charter’.

[lxxxi] Nichiren, The Record of the Orally Transmitted Teachings, 109.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bibliografie

 

Arendt, Hannah. 1970. Men in Dark Times. New York: Houghton Mifflin Harcourt.

—. 1994. Essays in Understanding: 1930–1954. Formation, Exile, and Totalitarianism. Bewerkt door Jerome Kohn, New York: Harcourt Brace & Co.

 

Associated Press. 2016. ‘Researchers: Latin American Women Got Women into UN Charter’. 2 september. http://bigstory.ap.org/article/049889e630b748229887b91c8f21e3d2/researchers-latin-american-women-got-women-un-charter (accessed January 27, 2017).

 

Chalmers, Robert, vert. 1932. Buddha’s Teachings. Cambridge: Harvard University Press.

 

Hoffman, David E. 2009. The Dead Hand: The Untold Story of the Cold War Arms Race and Its Dangerous Legacy. New York, Londen, Toronto, Sydney, Auckland: Doubleday.

 

Ikeda, Daisaku. 1999. Sekai no shidosha to kataru [Herinneringen aan mijn ontmoetingen met wereldleiders]. Tokio: Ushio Publishing Co.

 

—. 2014. A Forum for Peace: Daisaku Ikeda’s Proposals to the UN. Bewerkt door Olivier Urbain. Londen en New York: I.B. Tauris.

 

—, en Anwarul K. Chowdhury. 2011. Atarashiki chikyu shakai no sozo e [Het creëren van een nieuwe wereldmaatschappij]. Tokio: Ushio Publishing Co.

 

—, en Adolfo Pérez Esquivel. 2009. La fuerza de la esperanza [De kracht van hoop]. Ciudad Autónoma de Buenos Aires: Emecé.

 

—, en Stuart Rees. 2014. Heiwa no tetsugaku to shigokoro o kataru [Een gesprek over de filosofie achter vrede en de dichterlijke geest]. Tokio: Daisanbunmei-sha.

 

—, en Abdurrahman Wahid. 2015. The Wisdom of Tolerance: A Philosophy of Generosity and Peace. Londen: I.B. Tauris. 31

 

—, en Sarah Wider. 2014. The Art of True Relations: Conversations on the Poetic Heart of Human Possibility. Cambridge, Massachusetts: Dialogue Path Press.

 

ILO (International Labour Organization). 2016. ‘Global Migration Crisis: The World of Work Must Be Part of the Solution.’ News. 21 maart. http://www.ilo.org/global/about-the ilo/newsroom/news/WCMS461952/lang–en/index.htm

 

InterAction Council. 2014. ‘Global Ethics’. In Interfaith Dialogue: Ethics in Decision-Making. http://www.heart-to-heart-world.org/globalethics.html

 

Jaspers, Karl. 1957. Die grossen Philosophen [The Great Philosophers]. München: R. Piper & Co. Verlag.

 

Judson, Clara Ingram. 1951. City Neighbor: The Story of Jane Addams. New York: Scribner.

 

—. 1953. Jein Adamusu no shogai [Het verhaal van Jane Addams]. Vert. Hanako Muraoka. Tokio: Iwanami Shoten, Uitgevers.

 

Kato, Tsuneaki. 1992. Buaitsuzekka [Weizsäcker]. Tokio: Shimizu Shoin Co.

 

MOFA (Ministry of Foreign Affairs of Japan). 2016. ‘G7 Foreign Ministers’ Hiroshima Declaration on Nuclear Disarmament and Non-Proliferation’. 11 april http://www.mofa.go.jp/mofaj/files/000147442.pdf

 

Müller, Friedrich Max, vert. 2005. The Sutta-nipata. In The Sacred Books of the East, deel 13, afl. 1. Massachusetts: Elibron.

 

Nabarro, David. 2016. ‘On Youth Boosting the Promotion and Implementation of the Sustainable Development Goals (SDGs)’. United Nations Webcast. 10 november. http://webtv.un.org/meetings-events/watch/david-nabarro-un-special-adviser-on-youth-boosting-the-promotion-and-implementation-of-the-sustainable-development-goals-sdgs/5205304664001

 

Nakamura, Hajime. 1984. Budda no kotoba [Woorden van de Boeddha]. Tokio: Iwanami Shoten, Uitgevers.

 

—. 2014. Genshi butten o yomu [Het lezen van de vroeg-boeddhistische soetra’s]. Tokio: Iwanami Shoten, Uitgevers.

 

Nichiren. 2004. The Record of the Orally Transmitted Teachings. Vert. Burton Watson. Tokio: Soka Gakkai.

 

Norman, K.R., vert. 1995. Theragāthā. In The Elders’ Verses II. Oxford: Pali Text Society.

 

NPDI (Non-Proliferation and Disarmament Initiative). 2016. ‘Joint Statement’. 8th Ministerial Meeting. 12 april. http://www.uaeiaea.net/media/JointMinisterialStatementNPDI

12April2014.pdf

 

Obama, Barack. 2016. ‘Remarks by President Obama and Prime Minister Abe of Japan at Hiroshima Peace Memorial’. 27 mei. https://www.whitehouse.gov/the-press-office/2016/05/27/remarks-president-obama-and-prime-minister-abe-japan-hiroshima-peace

 

Oppenheimer, J. Robert. 1953. ‘Atomic Weapons and American Policy’. Foreign Affairs. Juli. New York: Council on Foreign Relations.

 

Perry, William J. 2013. “My Personal Journey at the Nuclear Brink.” European Leadership Network. 17 juni. http://www.europeanleadershipnetwork.org/my-personal-journey-at-the-nuclear-brink-by-bill-perry633.html

 

Pugwash. 1955. ‚The Russell-Einstein Manifesto’. 9 juli. https://pugwash.org/1955/07/09/statement-manifesto/

 

Rees, Stuart, Gordon Rodley, en Frank Stilwell. 1993. Beyond the Market: Alternatives to Economic Rationalism. Leichhardt: Pluto Press Australia.

 

Reutter, Angelika U., en Anne Rüffer. 2004. Peace Women. Vert. Salomé Hangartner. Zürich: Rüffer+Rub.

 

Sen, Amartya. 2009. The Idea of Justice. Cambridge, Massachusetts: The Belknap Press of Harvard University Press.

 

SIPRI Yearbook 2016: Armaments, Disarmament, and International Security. Stockholm: Stockholm International Peace Research Institute. https://www.sipri.org/yearbook/2016/16

 

Thurman, Robert A.F., vert. 1976. Vimalakirti Nirdesa Sutra. In The Holy Teaching of Vimalakirti. Pennsylvania: The Pennsylvania State University. 32

 

Toda, Josei. 1957. ‘Declaration Calling for the Abolition of Nuclear Weapons’. http://www.joseitoda.org/vision/declaration/read

Toynbee, Arnold J. 1967. Acquaintances. Londen: Oxford University Press.

 

UN (United Nations). 2016. ‘Joint United Nations Statement on Syria’. Persbericht. 12 maart. http://www.unhcr.org/56e2f8ef6.html

 

—. DPI (Department of Public Information). 2016. ‘244 Million International Migrants Living Abroad Worldwide, New UN Statistics Reveal’. News. 12 januari. http://www.un.org/sustainabledevelopment/blog/2016/01/244-million-international-migrants-living-abroad-worldwide-new-un-statistics-reveal/

 

—. GA (General Assembly). 1968. ‘Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons’. A/RES/2373(XXII). Aangenomen door de Algemene Vergadering. 12 juni. http://www.un.org/ga/search/viewdoc.asp?symbol=a/res/2373(xxii)

 

—. —. 2011. ‘United Nations Declaration on Human Rights Education and Training’. A/RES/66/137. Aangenomen door de Algemene Vergadering. 19 december. https://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N11/467/04/PDF/N1146704.pdf?OpenElement

 

—. —. 2015. ‘Transforming Our World: The 2030 Agenda for Sustainable Development’. A/RES/70/1. Aangenomen door de Algemene Vergadering. 25 september. http://www.un.org/ga/search/viewdoc.asp?symbol=A/RES/70/1&Lang=E

 

—. —. 2016. ‘Nuclear Weapons and Human Security’. A/AC.286/NGO/17. Ingediend door Soka Gakkai International. 3 mei. https://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/G16/109/15/PDF/G1610915.pdf?OpenElement

 

—. —. 2016. ‘Taking forward Multilateral Nuclear Disarmament Negotiations’. A/RES/71/258. Aangenomen door de Algemene Vergadering . 23 december. https://www.un.org/ga/search/viewdoc.asp?symbol=A/RES/71/258

 

—. Millennium Campaign. 2014. ‘We the Peoples: Celebrating 7 Million Voices.’ My World—The United Nations Global Survey for a Better World. https://myworld2015.files.wordpress.com/2014/12/wethepeoples-7million.pdf

 

—. News Centre. 2016. “Interview: ‘A Surge in the Diplomacy for Peace Would Be My Priority’– UN Secretary-General-Designate.” 16 oktober. http://www.un.org/apps/news/story.asp?NewsID=55343

 

—. OHCHR (Office of the High Commissioner for Human Rights). 2016. ‘Opening Statement by Kate Gilmore, Deputy High Commissioner for Human Rights, at the High-level Panel Discussion on the Implementation of the United Nations Declaration on Human Rights Education and Training: Good Practices and Challenges.’ 14 september. http://www.ohchr.org/EN/NewsEvents/Pages/DisplayNews.aspx?NewsID=20489&LangID=E

 

—. Security Council. 2000. ‘Peace Inextricably Linked with Equality between Women and Men’. Persbericht. SC/6816. 8 maart. http://www.un.org/press/en/2000/20000308.sc6816.doc.html

 

UNDP (United Nations Development Programme). 2016. ‘Building Resilience of Refugee Hosting Communities’. 27 mei. http://www.et.undp.org/content/ethiopia/en/home/presscenter/articles/2016/05/27/building-resilience-of-refugee-hosting-communities-.html

 

UNFPA (United Nations Population Fund). 2014. ‘The Power of 1.8 Billion: Adolescents, Youth and the Transformation of the Future’. http://moldova.unfpa.org/sites/default/files/pub-pdf/swop%202014%20report%20s2.pdf

 

UNHCR (United Nations High Commissioner for Refugees). 2016. ‘Global Trends: Forced Displacement in 2015’. 20 juni. http://www.unhcr.org/576408cd7

 

—. 2016. “Syrian Refugee Eyes Rio Olympics.’ 18 maart. http://tracks.unhcr.org/2016/03/syrian-refugee-eyes-rio-olympics/

 

—. 2016. ‘These 10 Refugees Will Compete at the 2016 Olympics in Rio’. 3 juni. http://www.unhcr.org/news/latest/2016/6/575154624/10-refugees-compete-2016-olympics-rio.html

 

UN Women. 2016. ‘From Where I Stand: Eisha Mohammed’. 9 maart. 33

http://www.unwomen.org/en/news/stories/2016/3/from-where-i-stand-eisha-mohammed

 

Watson, Burton, vert. 1997. The Vimalakirti Sutra. New York: Columbia University Press.

 

—, vert. 2009. The Lotus Sutra and Its Opening and Closing Sutras. Tokio: Soka Gakkai.

Wilson, Ward. 2013. Five Myths About Nuclear Weapons. Boston, New York: Houghton Mifflin Harcourt.